Enkele jaren geleden werd de wereld kond gedaan van de geboorte van ene ‘ChatGPT’. Beter dan zoekmachines én een alternatief voor urenlang schrijven en schrappen. ChatGPT en zijn ondertussen geboren broers en zussen werden – en worden – enthousiast onthaald en gebruikt. Of toch niet helemaal? Gebruikt worden ze zeker, getuige de talloze disclaimers die je als auteur moet ondertekenen en de plagiaatcheckers die op papers losgelaten worden. ‘Enthousiast’ alvast niet unaniem. Er zit immers per definitie wel wat bias op tekstgebaseerde algoritmes en, niet onbelangrijk, ChatGPT wordt ook niet continue gevoed en is dus niet op de hoogte van de laatste ontwikkelingen.
Toegegeven, het is een handig dingetje voor de zoveelste reclametekst, of het gedicht bij een vijftigjarig huwelijk. Een klassiek stationsromannetje zie ik ook nog wel gebeuren. De vraag die ik me stel is dan: “Kan het ook kunst produceren?” Eigenlijk niet, denk ik. Het haalt immers per definitie zijn inspiratie uit het verleden, die het vervolgens in een iets andere vorm kopieert. Iets revolutionair vernieuwends à la Paul van Ostaijen of Pablo Picasso moeten we dus niet zo dadelijk verwachten. En hoe zit het met die ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’? Dacht het niet.
Voorlopig blijf ik fan van de MI of menselijke intelligentie bij het overbrengen van persoonlijke gevoelens, ideeën en theorieën. Perkament en ganzenveer hoeven voor mij nu ook weer niet, een toetsenbord mag, een spellingcheck ook. Zelfs het opzoeken van achtergrondinformatie gaat een pak efficiënter dan toen we nog door fichebakken ploeterden. Maar op zoek naar puur leesgenot vertrouw ik toch nog net iets meer op de menselijke auteur als bezorger daarvan.