De (on)zichtbare kracht van archieven

META Nummer 2025/6

De (on)zichtbare kracht van archieven

Geschreven door Maxine Lynch
Gepubliceerd op 26.09.2025
IMPORTANT
IMPORTANT

De Amerikaanse archivaris en emeritus professor Jeannette A. Bastian is een internationale pionier op het vlak van archieven, collectief geheugen en cultureel erfgoed. Met een carrière die haar van de Amerikaanse Maagdeneilanden tot aan de Simmons University in Boston (Verenigde Staten) bracht, staat ze bekend om haar vernieuwende ideeën over hoe we erfgoed en identiteit documenteren. Op Informatie aan ZOO brengt ze twee lezingen waarbij ze ons uitdaagt om anders te kijken naar wat een archief kan zijn, hoe levende tradities ons collectief geheugen vormen, en hoe erfgoedinstellingen technologie en strategieën kunnen gebruiken om de gemeenschap in kaart te brengen.

Om die reden gingen Wouter van Dijk (hoofdredacteur Archievenblad, Nederland) en Geerd De Ceulaerde (Archiefpunt, België) met haar in gesprek.

Wat is je achtergrond en wat motiveerde je in je werk als archivaris en onderzoeker?

Ik begon mijn carrière als bibliothecaris op het Amerikaanse Maagdeneiland Saint Thomas. Twintig jaar later werd ik directeur van alle bibliotheken, archieven en musea van de drie hoofdeilanden: Saint Croix, Saint John en Saint Thomas. Op een bepaald moment wijzigde de Amerikaanse overheid haar manier van werken door een archiefclausule in het beleid op te nemen. Zo kregen we plots de verantwoordelijkheid om een officieel overheidsarchief op te zetten. Hoewel we al over een informeel archief beschikten – de openbare bibliotheken verzamelden al jaren overheidsmateriaal – moesten we nu een formeel archief inrichten en een professionele archivaris aanstellen.

Om mij professioneel verder te ontwikkelen, startte ik een doctoraat aan de Universiteit van Pittsburgh in de Verenigde Staten (VS). Omdat ik mijn proefschrift wilde schrijven over het ontbreken van historische archieven op de Maagdeneilanden, verdiepte ik mij in het archiefwezen. In tegenstelling tot anderen die veel vroeger voor een archiefcarrière kozen, kwam ik er veel later in terecht. Maar misschien was dat net mijn kracht: ik had toen al veel levenservaring en een achtergrond in de bibliotheekwereld.

Waarom deed je je doctoraat niet rond bibliotheken?

De Maagdeneilanden waren zo’n tweehonderd jaar lang een kolonie van Denemarken en werden in 1917 aan de VS ‘verkocht’. Voor die tijd verzamelden de Deense archivarissen alle archieven – die tweehonderd jaar aan documenten omvatten – om op te sturen naar hun nationaal archief in Kopenhagen.

De Maagdeneilanden hadden hierdoor geen geschiedenis meer om op terug te vallen of naar te verwijzen. Denemarken liet wel een paar zaken achter, zoals eigendomsgegevens, maar die waren in het Deens en werden voor een groot deel weggegooid. Best chaotisch, dus.

Hoe gebeurt zoiets? Wat doet dat met mensen? En wat betekent het om geen toegang te hebben tot je eigen geschiedenis? Daar wilde ik in mijn doctoraat een antwoord op vinden. Mensen kwamen voortdurend langs in de openbare bibliotheek op zoek naar informatie, vooral over hun familiegeschiedenis. In kleinere gemeenschappen zijn bibliotheken verantwoordelijk voor de lokale geschiedenis. Wat we hadden was minimaal, en om iets te identificeren moesten we de Deense archieven benaderen en zelfs betalen om onze eigen documenten te zien. Door mijn doctoraat kon ik de herkomst- en archiefkwesties veel beter begrijpen. Mijn onderzoek werd uiteindelijk gepubliceerd in het boek Owning Memory - How a Caribbean Community Lost Its Archives and Found Its History.

IMPORTANT
© Simmons University.

Je bent erg invloedrijk geweest in de kritische archiefstudies. Kun je wat meer vertellen over hoe je in deze richting terechtgekomen bent?

Ik moet bekennen dat het me nog steeds een raadsel is (lacht). Ik zou mezelf niet meteen een theoreticus noemen, maar al vroeg in mijn opleiding begon mijn interesse in archieftheorie te groeien, vooral door de invloed van mijn promotor Richard J. Cox. Hij was een pionier in het vak en daagde me uit om kritisch en diep na te denken over archiefvraagstukken. Die academische inzichten mengden zich met mijn eigen praktijkervaringen en dat maakte het des te betekenisvoller. Juist daardoor stel je meer vragen, omdat je zaken misschien vanuit een ander perspectief bekijkt en genoeg evenservaring opgedaan hebt buiten de academische wereld om kritische vragen te kunnen stellen. Mijn proefschrift heeft me aan het denken gezet over thema’s zoals identiteit, collectief geheugen en de manier waarop mensen hun herinneringen vastleggen. Koloniale archieven vormen daarbij natuurlijk een bijzonder complexe kwestie, zeker voor mensen uit voormalige koloniën.

Ik denk dat als ik mijn carrière begonnen was als archivaris binnen de overheid – en dus de klassieke weg gevolgd had – er onbewust wel beperkingen geweest zouden zijn in mijn manier van denken. Het zou lastig geweest zijn om bepaalde aannames of denkkaders, die je al vroeg in je loopbaan meekrijgt, los te laten. Die had ik niet, en omdat ik ze nooit aangeleerd had, hoefde ik ze ook niet af te leren. Ik denk dat als ik mijn carrière begonnen was als archivaris binnen de overheid – en dus de klassieke weg gevolgd had – er onbewust wel beperkingen geweest zouden zijn in mijn manier van denken. Het zou lastig geweest zijn om bepaalde aannames of denkkaders, die je al vroeg in je loopbaan meekrijgt, los te laten. Die had ik niet, en omdat ik ze nooit aangeleerd had, hoefde ik ze ook niet af te leren.

Hoe kijk jij naar de rol en ontwikkeling van de archivaris vandaag? Welke meerwaarde brengt ervaring buiten het vak, welke plaats heeft kritisch denken, en slagen archivarissen er volgens jou in om hun werkveld open te trekken naar andere disciplines?

Omdat archivistiek in de VS een specialisatie is binnen de informatiewetenschappen op masterniveau, kun je dus perfect een andere bachelor gevolgd hebben. Of ze nu theoretici of professionals worden – en die twee sluiten elkaar niet uit – een bredere achtergrond verrijkt je perspectief. Je kijkt dan verder dan het vak zelf. Theorie en praktijk gaan hand in hand en je moet een manier vinden om dat in evenwicht te brengen. Die balans creëren is een uitdaging voor archiefdocenten. Je wilt geen argeloze studenten afleveren, maar wel studenten met een scherp inzicht in wat ze doen en waarom het ertoe doet.

Ik ben geen praktiserende archivaris meer, maar ik weet wel dat studenten in onze opleiding verschillende achtergronden hebben, wat de leservaring erg verrijkt. Archieven zijn namelijk overal. Ze verbinden alle vakgebieden met elkaar, want alles wat mensen doen, laat sporen of documenten na. Als je archieven begrijpt, kun je gemakkelijker begrijpen hoe verschillende vakgebieden met elkaar samenhangen.

IMPORTANT
Enid Maria Baa. © Public Library System, US Virgin Islands.

Je stelt dat archieven niet neutraal zijn, maar altijd verbonden zijn met macht en machtsstructuren. Kun je toelichten hoe die macht zich manifesteert in de praktijk?

Vroeger zagen archivarissen hun werk vooral als het verwerken van archieven. De prominente Canadese archivarissen en theoretici Terry Cook en Joan Schwartz legden begin 2000 in het artikel ‘Archives, Records and Power: The Making of Modern Memory’ uit Archival Science de vinger op de zere plek en identificeerden het hele idee van deze machtsverhouding. Dat zorgde voor opschudding in de archiefgemeenschap in de VS.

Tot dan dacht niemand echt na over waarom ze bepaalde taken uitvoerden. Ze zagen hun werk als iets wat je gewoon deed, zonder veel reflectie. Er werd nauwelijks nagedacht over bredere implicaties, zoals de relatie tussen archieven, macht en internationale verhoudingen. Dat besef veranderde met de tijd en heeft de manier waarop mensen naar hun werk kijken aanzienlijk beïnvloed. Ze begonnen in te zien hoe belangrijk archieven zijn en hoe macht op verschillende manieren zichtbaar wordt in archieven. In landen in conflict worden archieven vaak als eerste vernietigd om zo de identiteit van een volk uit te wissen, en dat heeft een erg demoraliserend effect.

Archieven worden nog vaak over het hoofd gezien door het brede publiek. Toch zijn ze van fundamenteel belang. Ze vormen het geheugen van een samenleving, ook al beseft men dat vaak pas op cruciale momenten – en dus te laat. Mensen beseffen pas hoe belangrijk hun persoonlijke gegevens zijn wanneer ze hun identiteitsdocumenten moeten afgeven. Dan beseffen ze pas de macht die daarachter zit.

Ook de gegevens zelf hebben de macht om allerlei misverstanden en onevenwichtigheden aan het licht te brengen. Het is heel moeilijk om iets te ontkennen dat in een document staat, want dat vormt een bewijs. De manier waarop dat bewijs tot stand komt, maakt dat archieven zowel destructief als constructief kunnen zijn. Archivarissen dragen zo actief bij aan het maken van geschiedenis, maar tegelijkertijd kan dat een vorm van machtsmisbruik zijn. Vooral wanneer gegevens verwerkt worden bij overheden, kunnen ze (bewust of onbewust) aan bepaalde groepen mensen de voorkeur geven boven andere groepen.

Denk maar aan alle verschillende archiefonderdelen die van toepassing zijn. Macht heeft veel te maken met het creëren en bewaren van documenten en de toegang ertoe. Totalitaire regeringen geven vaak geen toegang tot hun archieven, omdat de documenten bewijsmateriaal bevatten waarvan ze niet willen dat iemand het weet. Kennis is macht en die kennis bevindt zich in de archieven, in het bewijsmateriaal.

Archiefinstellingen zijn vandaag druk bezig met het digitaliseren van historische archieven, waaronder ook koloniale en ministeriële archieven uit de negentiende eeuw. Hoe kunnen we bij die digitalisering voorkomen dat machtsverhoudingen gereproduceerd of zelfs versterkt worden? Heb je ideeën over hoe dat zorgvuldiger of rechtvaardiger aangepakt kan worden?

Bij digitaliseren is het creëren van context voor de documenten binnen het digitaliseringsproces van uiterst belang. Digitaliseren zonder veel metadata en context creëert een betekenisloos document. Bij het digitaliseren moet je denken aan de herkomst, de context, de tekst en goede beschrijvingen. Dat is essentieel om het digitale archief (hopelijk) net zo transparant te maken als het papieren archief.

IMPORTANT
Saint Thomas, Amerikaans Maagdeneiland.

In 2017 – precies honderd jaar na de verkoop van de Maagdeneilanden aan de VS, laaide in Denemarken de discussie over het koloniale verleden opnieuw op. De archieven werden op grote schaal gedigitaliseerd en online openbaar gemaakt. Een indrukwekkende onderneming die in één klap duizenden documenten toegankelijk maakte voor de wereld. Maar toegankelijkheid is niet hetzelfde als vindbaarheid. Toegang moet inspelen op de manieren waarop mensen zoeken en betekenis geven, via context, herkomst, thema’s of beschrijving. Alleen zo kunnen archieven hun kracht ten volle ontplooien.

In een analoog archief kun je vrij rondlopen, dozen openen en op toevallige verbanden stuiten. De ervaring van het document zelf – het papier aanraken, de handschriften zien, de geur van de doos – draagt al betekenis. Maar hoe creëer je dat gevoel van dwalen in een digitaal archief? Archivarissen zijn zich ervan bewust dat dat een nieuwe aanpak vraagt en zoeken naar manieren om dat te vertalen naar de digitale wereld. Daarbij zie ik twee belangrijke rollen voor de archivaris van vandaag. Enerzijds het verdiepen in herkomstonderzoek, waarbij niet alleen de administratieve oorsprong, maar ook de maatschappelijke en culturele context blootgelegd wordt. Anderzijds gaat het om de ontwikkeling van toegankelijkheid die de gebruiker centraal stelt, in plaats van enkel de opbouw van het archief.

Het is daarbij belangrijk om zoekhulpmiddelen te ontwikkelen die nieuw onderzoek mogelijk maken, en dat is iets waar ook de overheid baat bij heeft. De sleutel ligt voor mij in grondig herkomstonderzoek en het bieden van een bredere context. Hoe rijker de context, hoe meer verhalen en hoe beter de verbanden in documenten te begrijpen zijn. Blijft die context beperkt, dan rest enkel de letterlijke tekst. Je krijgt uiteindelijk een gevarieerder en completer beeld van waar het archief eigenlijk over gaat. Als je slechts één invalshoek aanhoudt en die als vanzelfsprekend beschouwt, dan zie je de nuances misschien nooit. In analoge archieven is er vaak meer ruimte voor interpretatie en ontdekking, en meer mogelijkheden voor mensen om de diverse standpunten te begrijpen, te ontdekken of te verkennen. Zodra iets gedigitaliseerd is, ligt het vast en stuurt het je als gebruiker één richting op. Dat maakt digitalisering soms complex.

Er zijn initiatieven die dat proberen te doorbreken. Met een archiefin-context-benadering kun je verschillende digitale representaties van een archief maken, meer dan alleen de klassieke hiërarchische inventaris. Maar dat kost tijd, geld en middelen. Overheden zijn meestal wel bereid om te investeren in archieven, maar nooit genoeg.

Dat is een soort paradox. Om financiering te krijgen of te verantwoorden, moeten archieven vaak allerlei andere activiteiten opnemen om publieke interesse te wekken. Maar eigenlijk ligt de echte maatschappelijke relevantie veel fundamenteler: in toegankelijkheid en herkomstonderzoek.

Archivarissen vormen een kleine, gepassioneerde en toegewijde groep die weet wat ze doet, maar vaak ook accepteert dat niemand anders dat waardeert of begrijpt. Veel historische boeken, onderzoek en inzichten zouden simpelweg niet bestaan zonder archieven. Weinig mensen zijn zich daar echt van bewust. Toch is hun hele identiteit verweven met archieven. Tijdens mijn doctoraat ontdekte ik hoe het verlies van archieven op de Maagdeneilanden het gevoel van identiteit aantastte. Mensen wisten nauwelijks iets over hun eigen geschiedenis, en zonder toegang tot die bronnen blijft je eigen identiteit begrijpen bijna onmogelijk.

Het gaat daarbij zowel om individuele als collectieve identiteit. Je beseft pas hoe essentieel het is als het verdwenen is. Daarbij speelt ook de orale cultuur een rol: archieven bestaan in vele vormen en ze verbinden mensen niet alleen collectief, maar ook persoonlijk met hun verleden.

IMPORTANT
© Simmons University.

Nederland heeft een koloniaal verleden met Indonesië. Veel archieven uit die tijd bevinden zich nog steeds daar, waar ze door het tropisch klimaat kwetsbaar zijn voor hitte, vocht en insecten. Het Nederlands Nationaal Archief digitaliseerde een aantal jaren geleden een groot deel ter plaatse en deelde de scans met de Indonesische overheid, maar kreeg naast lof ook kritiek wegens een vermeende neokoloniale houding. Hoe kijk jij hiernaar?

Je kunt natuurlijk niet iedereen tevreden stellen. Je kunt die digitalisering zien als een vorm van herstel: Nederland dat iets goed te maken heeft. Ook hebben ze archieven van Suriname gedigitaliseerd, zoals de slavenregisters, en die vervolgens overgedragen. Dat is uniek. Landen staan hun archieven niet vaak af, maar Nederland deed dat wel en zo hoort het ook. Misschien kunnen de archieven in Jakarta op termijn beter bewaard worden.

Het idee om documenten te kopiëren is niet nieuw. De VS, Australië en Canada stuurden eeuwen geleden al onderzoekers naar Londen en Parijs om archieven te kopiëren met behulp van kopieermachines. Logisch dat ook de archieven in Jakarta dus gedigitaliseerd werden, want Nederlandse historici willen ook graag toegang hebben tot die documenten zonder steeds naar Indonesië te hoeven reizen. De kritiek dat het digitaliseren enkel voor hun eigen belang is, is moeilijk te begrijpen, want we leven nu eenmaal in een digitale wereld. Verne Harris beschrijft dat als de ‘alomtegenwoordigheid van archieven’. Iedereen is zijn eigen archivaris en sociale media spelen daar ook een rol in.

Hoe belangrijk zijn publieke archieven of door de overheid gefinancierde archiefinstellingen in een context waarin iedereen in het kader van identiteit een eigen archief kan aanleggen? Moeten publieke archieven persoonsarchieven centraliseren? Of eerder een decentraal (post-custodiaal) speelveld promoten?

Mensen hebben altijd al hun eigen archieven gemaakt, denk maar aan dagboeken, fotoalbums, herinneringen op zolder … Een publieke instelling maakt het archief namens het collectief, niet voor individuen. Toch denk ik dat ze ook iets met gemeenschapsarchieven moeten doen, door bijvoorbeeld door te verwijzen naar dergelijke archieven, zodat gebruikers via één toegangspunt meerdere collecties kunnen vinden. Dat zou een nationale archiefdienst echt waardevol maken.

Zo’n aanpak zien we inderdaad als post-custodiaal. Een goed voorbeeld is het Verenigd Koninkrijk (VK). Zij hebben een website ontwikkeld waarbij alle gemeenschapsarchieven op één kaart staan – van musea tot lokale archieven en alles ertussenin. Vanuit hun Nationaal Archief kun je daar ook verbinding mee maken.

Het feit dat gemeenschappen überhaupt archieven oprichten, laat zien dat ze de waarde van archieven erkennen. Het geeft hun ook macht: een eigen plek waar hun gemeenschap vastgelegd wordt. Maar wat hebben ze daarvoor nodig en hoe kijken archivarissen daarnaar? Het gaat om een genuanceerd begrip van wat een document is: archivarissen moeten een breed scala aan objecten als archiefmateriaal erkennen en waarderen.

IMPORTANT

Moet een instelling dan zelf actiever gemeenschappen benaderen?

Dat zou moeten, maar het werkt alleen als er partnerschappen ontstaan. In de VS zie je dat instellingen actief samenwerken met ondervertegenwoordigde groepen. Soms inspireert dat gemeenschappen om hun eigen archief te beginnen. Het gaat om prioriteiten stellen: ga je tijd besteden aan je bestaande collecties, of ga je in gesprek met gemeenschappen? Beide zijn mogelijk, maar er zijn altijd keuzes te maken.

In je werk pleit je voor een inclusievere benadering van archief, met ook de erkenning van bijvoorbeeld spraak, zang en dans als ‘archiefdocumenten’. Het vastleggen hiervan wordt echter ook geproblematiseerd vanwege de daarmee gewijzigde context en de ‘onvastheid’ ervan. Zie je daarin een probleem?

Dat hangt ervan af. In culturen waarin mondelinge traditie een belangrijke rol speelt, is het niet vreemd om een mondeling verslag als geschiedenis te zien. Het is dus geen echte paradigmaverschuiving, maar eerder een bredere erkenning dat er meerdere vormen van documentatie bestaan. Digitalisering helpt om inclusiever te zijn in wat als document geldt. Elke vorm van archiveren haalt iets uit zijn oorspronkelijke context. Ook papieren archieven verliezen context zodra je ze in series en dozen stopt. Digitalisering van een mondelinge performance is dus vergelijkbaar: je legt iets vast, maar nooit volledig. Het gaat om context geven en toegankelijk maken, zonder te doen alsof het iets anders is dan het is.

Hoe zie jij de toekomst van het archiefvak?

Ik hoop vooral dat mensen niet alles overlaten aan artificiële intelligentie (AI), maar hun eigen intelligentie blijven gebruiken.

Heb je nog een leestip?

Ik wil het decembernummer van Archival Science van vorig jaar aanraden, waar ik gastredacteur van was. Daarin staan achttien artikels over herkomst en ondervertegenwoordigde groepen in archieven, met bijdragen van over de hele wereld. Die bijdragen schetsen volgens mij een goed beeld van de toekomst van archieven.

Literatuurlijst

Archives, Records and Power; The Making of Modern Memory,” Archival Science, 2, pp.1-19, 2002.

Wil je graag een lezing volgen van Jeannette?

Waarom lid van de VVBAD worden?

  • Deel zijn van het netwerk van experten en collega's
  • Mee de belangen van de informatiesector behartigen
  • Korting krijgen op de activiteiten van de VVBAD
  • Toegang krijgen tot vakinformatie
  • Participeren in de verenigingsbesturen
Word lid
© Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief & Documentatie vzw
Statiestraat 179 | B-2600 Berchem (Antwerpen)
Tel: (+32) 03 281 44 57 | email: vvbad@vvbad.be