De Amerikaanse archivaris en emeritus professor Jeannette A. Bastian is een internationale pionier op het vlak van archieven, collectief geheugen en cultureel erfgoed. Met een carrière die haar van de Amerikaanse Maagdeneilanden tot aan de Simmons University in Boston (Verenigde Staten) bracht, staat ze bekend om haar vernieuwende ideeën over hoe we erfgoed en identiteit documenteren. Op Informatie aan ZOO brengt ze twee lezingen waarbij ze ons uitdaagt om anders te kijken naar wat een archief kan zijn, hoe levende tradities ons collectief geheugen vormen, en hoe erfgoedinstellingen technologie en strategieën kunnen gebruiken om de gemeenschap in kaart te brengen.
Om die reden gingen Wouter van Dijk (hoofdredacteur Archievenblad, Nederland) en Geerd De Ceulaerde (Archiefpunt, België) met haar in gesprek.
Wat is je achtergrond en wat motiveerde je in je werk als archivaris en onderzoeker?
Ik begon mijn carrière als bibliothecaris op het Amerikaanse Maagdeneiland Saint Thomas. Twintig jaar later werd ik directeur van alle bibliotheken, archieven en musea van de drie hoofdeilanden: Saint Croix, Saint John en Saint Thomas. Op een bepaald moment wijzigde de Amerikaanse overheid haar manier van werken door een archiefclausule in het beleid op te nemen. Zo kregen we plots de verantwoordelijkheid om een officieel overheidsarchief op te zetten. Hoewel we al over een informeel archief beschikten – de openbare bibliotheken verzamelden al jaren overheidsmateriaal – moesten we nu een formeel archief inrichten en een professionele archivaris aanstellen.
Om mij professioneel verder te ontwikkelen, startte ik een doctoraat aan de Universiteit van Pittsburgh in de Verenigde Staten (VS). Omdat ik mijn proefschrift wilde schrijven over het ontbreken van historische archieven op de Maagdeneilanden, verdiepte ik mij in het archiefwezen. In tegenstelling tot anderen die veel vroeger voor een archiefcarrière kozen, kwam ik er veel later in terecht. Maar misschien was dat net mijn kracht: ik had toen al veel levenservaring en een achtergrond in de bibliotheekwereld.
Waarom deed je je doctoraat niet rond bibliotheken?
De Maagdeneilanden waren zo’n tweehonderd jaar lang een kolonie van Denemarken en werden in 1917 aan de VS ‘verkocht’. Voor die tijd verzamelden de Deense archivarissen alle archieven – die tweehonderd jaar aan documenten omvatten – om op te sturen naar hun nationaal archief in Kopenhagen.
De Maagdeneilanden hadden hierdoor geen geschiedenis meer om op terug te vallen of naar te verwijzen. Denemarken liet wel een paar zaken achter, zoals eigendomsgegevens, maar die waren in het Deens en werden voor een groot deel weggegooid. Best chaotisch, dus.
Hoe gebeurt zoiets? Wat doet dat met mensen? En wat betekent het om geen toegang te hebben tot je eigen geschiedenis? Daar wilde ik in mijn doctoraat een antwoord op vinden. Mensen kwamen voortdurend langs in de openbare bibliotheek op zoek naar informatie, vooral over hun familiegeschiedenis. In kleinere gemeenschappen zijn bibliotheken verantwoordelijk voor de lokale geschiedenis. Wat we hadden was minimaal, en om iets te identificeren moesten we de Deense archieven benaderen en zelfs betalen om onze eigen documenten te zien. Door mijn doctoraat kon ik de herkomst- en archiefkwesties veel beter begrijpen. Mijn onderzoek werd uiteindelijk gepubliceerd in het boek Owning Memory - How a Caribbean Community Lost Its Archives and Found Its History.