Als theoretische basis kregen de studenten mee dat een bibliotheekcollectie vooral dient als een extern geheugen voor kennis. De items in zo’n collectie bevatten enerzijds gedocumenteerde data en anderzijds hulpmiddelen die kennisontwikkeling ondersteunen.
Vroeger dienden collecties alleen om kennis te bewaren. Nu gebruiken we collecties ook om kennis te ontwikkelen die aansluit bij een diverse gemeenschap.
De missie en visie van de organisatie achter de bibliotheek bepalen hoe dat externe geheugen eruitziet en groeit. Een goed bibliotheekbeleid sluit hierbij aan en maakt ruimte voor collectiebeheer. Dat betekent dat we de verschillende onderdelen van de collectie begrijpen en weten hoe we deze bij de doelgroepen brengen. Met dat inzicht kunnen we toekomstplannen maken voor het behoud, het gebruik en de ontwikkeling van de collectie via collectieprofielen. In handboeken begin je aan collectieprofielen door de collectie te bekijken vanuit de organisatiebehoefte: de conspectus-aanpak. Daarna maak je verfijnde aanpassingen op basis van gebruikersbehoeften en nieuwe ontwikkelingen. Goede profielen bieden context en ontwikkelingskansen. Ze beperken het collectiebeleid niet tot passieve selectiecriteria of vaste afvoerregels.
Shiyali Ramamrita Ranganathan inspireerde met zijn Vijf Wetten van de Bibliotheekwetenschap uit 1931, een systematisch kader voor bibliotheekbeheer. Hertaald naar de 21e eeuw bieden zijn idealen concrete mogelijkheden voor collectiebeleid: (1) informatiebronnen moeten toegankelijk zijn voor de gemeenschap, (2) de collectie moet aansluiten bij diverse gebruikers, (3) ze moet actief gepromoot worden, (4) ze dient efficiënt gecatalogiseerd te zijn om tijd te besparen en (5) het beleid moet flexibel zijn omdat de bibliotheek een groeiend organisme is. Richard David Lankes introduceerde in 2011 het concept ‘community as a collection’. Deze benadering richt zich niet alleen op het verzamelen van materialen, maar ook op het verzamelen van ervaringen en de creatie van kennis in de gemeenschap. De bibliotheek wordt een dynamisch kenniscentrum.
En wat stellen studenten vast in de praktijk? Een perceptieonderzoek.
Academische bibliotheek 1: pragmatische ‘course library’-focus
In de academische bibliotheek die ik onderzocht, was er geen formeel collectiebeleid. In de praktijk richtte men zich vooral op het samenstellen van een course library. De medewerkers volgden de studiefiches voor aanbevolen en verplichte boeken en schaften deze aan. De fysieke collectie was gericht op een complete, aanbevolen course library, terwijl de digitale verzameling deze volledigheid alleen voor werken van eigen universiteitsmedewerkers toepaste. Het hoofd van de bibliotheek kocht ook alle relevante suggesties van studenten aan.
De onderwijsorganisatie toonde weinig interesse in de collectieontwikkeling, mogelijk door de proactieve houding van de bibliothecarissen. Een actievere en persoonlijke benadering van docenten zou de betrokkenheid bij de bibliotheekcollectie en -faciliteiten kunnen vergroten. De bibliotheek als facilitaire ruimte – lees: ‘fysieke, stille studieplek’ en ‘groepswerkruimte’ – lijkt vandaag de hoofdverwachting bij studenten. De course library staat in open kasten om een aangename open werkomgeving met een presentatiecollectie te bieden. De hoofdtaak van het personeel is in deze frontoffice ‘bezoekers helpen’, waardoor er weinig tijd is voor een doordachte promotie van de collectie (de derde wet van Ranganathan). Door steeds te luisteren naar de input van de studenten toont de bibliotheek zich echter wel flexibel (de vijfde wet). Voor e-bronnen hanteert de bibliotheek ook Evidence Based Acquisition (EBA), de praktijk waarbij men bij het besteden van een bepaald bedrag bij een uitgever of aggregator toegang krijgt tot de hele collectie, en daarna op basis van het aantal raadplegingen de populairste titels voor dat bedrag kan aankopen. Dat sluit aan bij Ranganathans tweede wet en zou een efficiënt gebruik van financiële middelen moeten zijn.
De catalogus biedt een linkgenerator om zoektijd naar full text-bronnen te verkorten. Artificiële intelligentie (AI) kan in de toekomst nog meer tijd besparen en de medewerkers ontlasten op het gebied van catalogiseren, zodat zij de collectie kunnen promoten. Digitale promotie – zoals boekencarrousels en gecureerde lijsten – kan de leestafel vervangen. Wet vier van Ranganathan staat vandaag zeker technisch op punt. Het AI-luik hierin vereist echter meer samenwerking tussen bibliotheek en docenten om de informatievaardigheden van studenten te verbeteren. De bibliotheek heeft een schitterende online cursus, maar deze lijkt bij studenten onbekend te zijn.
Conclusie van mijn perceptie? Er is een kloof tussen theoretisch profielbeleid en de pragmatische praktijk. Een quick win zou zijn om het collectiebeleid te verbeteren door persoonlijkere en structurele communicatie tussen bibliotheek en docenten.
Academische bibliotheek 2: vraaggerichte collectieontwikkeling met samenwerkingskansen
Ik onderzocht de collectieontwikkeling binnen een academische bibliotheek en informatiecentrum. Deze bibliotheek maakt deel uit van een moederorganisatie die samenwerking met partnerbibliotheken stimuleert, opleidingen faciliteert en uitgebreide ondersteuning biedt via afdelingen zoals IT en E-bronnen. De bibliotheek heeft een gedetailleerd collectiebeleidsplan dat aansluit bij de missie van de moederorganisatie, gericht op duurzaam, kwalitatief en vernieuwend onderzoek en onderwijs. De collectie omvat verschillende onderdelen waaronder depotboeken, een historische collectie en een course library-collectie.
De bibliotheek wordt goed ondersteund bij de digitale transformatie door interne en externe partners. Tijdens de pandemie in 2020 versnelde de overgang naar digitale content. Het team richt zich nu zoveel mogelijk op e-content, waarbij gebruikscijfers en prijszetting de belangrijkste beslissingsfactoren zijn. Bij deze acquisitie besteden ze bijzondere aandacht aan open access en preprints, hoewel ze risico’s zien voor onderzoeksintegriteit en betrouwbare informatie. Bijscholing over deze thema’s is belangrijk voor zowel het personeel als de gebruikers. Ze zijn tevreden over hun deelname aan EBA-pakketten bij grotere uitgevers, maar merken op dat de communicatie met uitgeverijen veel beheer vraagt.
Het team probeert een goede balans te vinden tussen het bewaren en het ontwikkelen van de collecties. Er wordt hard gewerkt aan de rationalisering van de conservatie en een snellere IBL-service (interbibliothecair leenverkeer) voor bepaalde tijdschrifttitels, zodat er minder middelen naar bewaring gaan en meer naar de integratie van nieuwe technologieën en het behoud van actuele collecties. De gebruikscijfers van fysieke en e-bronnen worden jaarlijks geanalyseerd.
Wat de collectieontwikkeling betreft, zie ik een sterk vraaggerichte aanpak. De bibliotheek speelt uitgebreid in op de interessegebieden en thema’s van de onderzoekseenheden van de moederorganisatie. Het collectiebeleidsplan wordt effectief als handleiding gebruikt om de collectie te toetsen aan de missie, en tevens als richtlijn voor de efficiëntste besteding van de beschikbare middelen en als basis voor samenwerking met de partnerbibliotheken.
Er wordt slechts onrechtstreeks ingezet op maatschappelijke impact, terwijl de vakgebieden bij uitstek van belang zijn voor een breder publiek. Deze maatschappelijke impact wordt niet vermeld binnen de missie van de moederorganisatie. Financiële beperkingen vormen een uitdaging voor de collectievorming en het bieden van de nodige diensten en middelen. Door de vele prijsstijgingen in het huidige uitgeversklimaat dreigt er een afhankelijkheidspositie te ontstaan. Dat stimuleert wel de creativiteit in het zoeken naar open-accessoplossingen.
Ik wil het aanbod van deze bibliotheek vergelijken met de bekende uitspraak van Richard David Lankes: “Bad libraries build collections, good libraries build services, great libraries build communities.” De bibliotheek investeert in systematische collectieontwikkeling en biedt uitgebreide dienstverlening en ondersteunende faciliteiten. Ze bevordert samenwerking en uitwisseling via groepswerk en versterkt de samenwerking met de moederorganisatie en andere bibliotheken. Mijn eindconclusie is dat deze bibliotheek zich zeer verdienstelijk inzet om aan gemeenschapsvorming te doen, vooral voor de interne doelgroep van onderzoekers en studenten. Er is nog ruimte om deze verder open te trekken naar externe gebruikers en voorzieningen, om zo de interacties binnen de gebruikersgemeenschap te verrijken.