Mijn 42-jarige loopbaan als bibliothecaris van bibliotheek de Lettertuin in Sint-Pieters-Woluwe is niet zo gemakkelijk samen te vatten. Ook de evoluties in de bibliotheekwereld gedurende die periode qua mentaliteit, aanbod van collecties en activiteiten, digitale mogelijkheden, regelgeving, doelpubliek en nog zoveel meer zijn enorm. Hier toch een poging.
Het begin
Het begon allemaal met een babbeltje met de oud-bibliothecaris van de gemeentelijke bibliotheek van Sint-Pieters-Woluwe. Hij overtuigde me om er te solliciteren als aanspreekpunt voor de Nederlandstalige afdeling. De job was maar tien uur per week en de bibliotheek was voor 95% Franstalig, maar ik was een pas afgestudeerde historica met het diploma voor bibliotheekassistente op zak, dol op boeken en bibliotheken en op zoek naar werk – dus ik ging ervoor.
Zo leerde ik de schepen voor Nederlandstalige aangelegenheden, Marie-Jeanne Schoenmaeckers, kennen, wier droom het was om een Nederlandstalige bibliotheek in de gemeente op te richten. Mijn uurrooster werd uitgebreid tot voltijds en ik ging als 22-jarige aan de slag met het erkenningsdossier. Door de staatshervorming vielen bibliotheken onder cultuur en waren ze dus een gemeenschapsbevoegdheid. De wetgeving voor Franstalige en Nederlandstalige bibliotheken was sinds 1978 verschillend en een bibliotheek kon om erkend te worden niet tweetalig zijn. Toen Sint-Pieters-Woluwe zijn drie gemeentelijke bibliotheken als Franstalig bestempelde, moest het in de gemeenteraadsbeslissing opnemen dat het ooit ook een Nederlandstalige bibliotheek zou oprichten om niet van discriminatie beschuldigd te worden. Dat zinnetje werd mijn startpunt voor het uitbouwen van het erkenningsdossier en het oprichten van een Nederlandstalige bibliotheek.
Het toen nog maar vijf jaar oude bibliotheekdecreet was strikt wat de erkenningsvoorwaarden betrof: een bibliotheek in Sint-Pieters-Woluwe had een oppervlakte van 280 m² nodig, een startcollectie van 12.000 boeken en een voltijdse bibliothecaris, en het lezersaantal moest 5% bedragen van de inwoners van het werkgebied (voor een Brusselse gemeente bedraagt het werkgebied 30% van de totale bevolking) – dat betekende 600 lezers. Pas als aan al deze eisen voldaan was, kon een bibliotheek erkend worden door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en subsidies ontvangen voor personeel en meubels.
Een erkende bibliotheek
Om tot een erkende bibliotheek te komen was heel wat doorzettingsvermogen, optimisme, netwerking en ook wat geluk nodig. Het werden drukke jaren met – naast het alleen werken aan het dossier zonder steun van het regionetwerk dat pas later ontstond – mijn vierjarige avondstudie aan de bibliotheekschool, de uitleenuren in de Franstalige bibliotheek en het organiseren van een Nederlandstalig theaterseizoen voor volwassenen en kinderen waarvoor de schepen mij ook ingeschakeld had, omdat er buiten mij niemand van het Nederlandstalig gemeentepersoneel enige affiniteit had met cultuur.
Een tijdelijke startlocatie werd gevonden in 1987 – twee oude prefab paviljoenen (zonder isolatie) in de tuin van het gemeenschapscentrum Kontakt. De bibliotheek ging er van start met geleende meubels. Niemand vermoedde toen dat we er 27 jaar zouden verblijven. Je leefde er mee met de seizoenen, want op een koude winterdag was het er ’s morgens zes en tegen de avond vijftien graden. Op een warme zomerdag kon de thermometer dan weer tot bijna veertig graden opklimmen. Airco kregen we pas na 20 jaar.