Openbare bibliotheken zijn de afgelopen decennia geëvolueerd van boekopslagplaatsen naar levendige plekken waar ontmoeting en verbinding centraal staan. Ze bevinden zich op het snijvlak van literatuur, onderwijs en gemeenschapsvorming en spelen een cruciale rol in het vormgeven van de leeservaring van kinderen en hun verzorgers. Maar hoe vervullen bibliotheken deze rol effectief in een omgeving die zo divers en complex is als Brussel? In haar masterscriptie onderzocht Margot de Smaele hoe openbare bibliotheken in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest proberen om inclusieve literaire omgevingen te zijn voor kinderen en hun verzorgers. Via interviews met medewerkers (alle namen zijn fictief) van zestien van de twintig Nederlandstalige openbare bibliotheken onderzocht ze hoe bibliotheekpersoneel omgaat met kwesties als diversiteit, representatie en dekolonisatie.
Een tijdje geleden las ik het boekje Waarom je kinderboeken moet lezen, zelfs al ben je oud en wijs (2019). De titel spreekt voor zich; Katherine Rundell, een kinderboekenschrijfster en literatuurwetenschapper, legt overtuigend uit waarom volwassenen af en toe kinderboeken zouden moeten lezen: “Als je kinderboeken leest, krijg je de gelegenheid om weer als kind te lezen: om de weg terug te vinden naar de tijd toen nieuwe ontdekkingen dagelijkse kost waren en de wereld oneindig was, voor je verbeelding was bijgeschaafd en gefatsoeneerd.”¹
Zo voelde het inderdaad om als kind te lezen. Toen ik ongeveer acht jaar oud was, bezocht ik wekelijks de lokale bibliotheek om vol verwachting langs de boekenkasten te dwalen, verlangend naar de nieuwe werelden die me te wachten stonden. Terugkijkend op de opwinding die ik destijds voelde tijdens mijn wekelijkse bibliotheekbezoeken, realiseerde ik me dat bibliotheken een grote invloed kunnen hebben. Ze bieden een schatkamer aan verhalen, waardoor jonge lezers werelden buiten hun eigen omgeving kunnen verkennen. Zoals Katherine Rundell stelt: “De bibliotheek blijft een van de weinige plekken in de wereld waar je niets hoeft te kopen, of iemand moet kennen of iets moet geloven om erbinnen te komen. Het is de meest egalitaire ruimte die er bestaat.”² Voor velen begint hun liefde voor lezen in hun jonge jaren, bij de bezoeken aan de bibliotheek. Het is duidelijk dat Rundell een groot bewonderaar is van bibliotheken, en deze liefde deel ik. Maar is de bibliotheek werkelijk zo’n egalitaire ruimte als we zouden willen? Het utopische beeld van de bibliotheek dat Rundell schetst, komt niet overeen met de realiteit van de bibliotheek uit mijn jeugd. Hoewel ik in een buurt woonde met bewoners uit verschillende landen, en naar een basisschool ging waar veel kinderen ouders hadden die buiten Europa geboren waren, waren de personages in de verhalen die ik las altijd wit. En de weinige personages met een migratieachtergrond werden systematisch neergezet als onbeschaafde probleemgevallen of als hulpeloze slachtoffers die gered moesten worden. Kunnen we dan wel spreken van de bibliotheek als een egalitaire ruimte?