Professor doctor emeritus Monika Triest heeft de voorbije jaren als vrijwilliger de collectie van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen doorgelicht. Ze zocht naar items die geschikt waren voor vrouwenstudies, binnen het grotere geheel van genderstudies. Dat materiaal is nu online beschikbaar als deelcollectie voor onderzoekers. In het najaar van 2023 was er een kleine presentatie in de bibliotheek over dat materiaal, getiteld La querelle des femmes.
Enerzijds bracht deze externe expertise veel zaken aan het licht die we nu beter naar waarde kunnen schatten, iets waarvoor we zelf de kennis en tijd misten. Anderzijds is dit thans een online werkinstrument voor onderzoekers en geïnteresseerden. Nu het project afgerond is, was het tijd voor een interview met Monika over haar ervaringen en inzichten. Het interview vond plaats in juni 2024, bij Monika thuis.
Uit nieuwsgierigheid. Ik heb altijd behoefte gehad aan een omgeving waarin ik met anderen kennis kon delen en inzichten kon uitwisselen. En het is niet omdat je ouder wordt dat plots je eigen kennis en ervaring niet meer van tel zouden zijn – hoewel het in onze samenleving soms wel zo aanvoelt! Ouderen worden hier – zeker na hun pensioen – snel als uitgerangeerd beschouwd. De Erfgoedbibliotheek trok me aan als een stimulerende omgeving met een inhoudelijk rijke collectie. Ik was er als klant geweest en had er goede ervaringen aan overgehouden.
Tijdens de coronaperiode zond ik een e-mail met de vraag of ze mijn hulp konden gebruiken. Ik heb geen diploma van bibliothecaris of zo, dus ik dacht: als ze me kunnen gebruiken om boeken naar de leeszaal te brengen of terug te zetten in de rekken, dan ben ik al blij. Zo zou ik met heel wat boeken in aanraking komen, wat me nieuwe ideeën en inzichten zou geven.
Positief! Zodra we coronavrij waren, werd ik uitgenodigd voor een gesprek met de directeur – dat was in die tijd An Renard. Het was een aangenaam gesprek. Tot mijn verrassing had ze een veel beter idee: ze vroeg me of ik de collectie van de Erfgoedbibliotheek wilde doorlichten op materiaal dat geschikt was voor onderzoek op het vlak van vrouwen- en genderstudies, om het online als een deelcollectie aan te bieden – gezien mijn voorkennis en ervaring. Dat klonk me als muziek in de oren! Ik kon snel starten. Ik kreeg een vrijwilligersbadge en een eigen werklaptop, waarna een collega me rondleidde in het gebouw en me aan iedereen voorstelde. Al spoedig was ik elke donderdag in de leeszaal van de Erfgoedbibliotheek te vinden. Ik zocht in de catalogus naar interessante bronnen, en wat mogelijk bruikbaar was, liet ik uit het magazijn leveren om grondiger te bekijken in de leeszaal.
Wat motiveert je om dat vrijwilligerswerk te blijven doen in de Erfgoedbibliotheek?
De motivatie? Dat is zelf kennis en kunde verwerven om die vervolgens te kunnen doorgeven. Want bestaande, vaststaande, zeg maar ‘gecanoniseerde’ kennis kan altijd extra gedocumenteerd worden om tot een grotere variatie aan perspectieven te komen.
Je hebt het perspectief van de Rooms-Katholieke Kerk, van de socialistische bewegingen, van de harde wetenschappen enzovoort. Maar laat ik even een historisch voorbeeld geven ter verduidelijking. Hoe werd de kennis en kunde rond het vrouwenlichaam van generatie op generatie overgedragen? Het antwoord is eenvoudig: door de vrouwen zelf, met name door de vroedvrouwen die ondersteuning boden bij zwangerschap, bevalling en nazorg. Vroedvrouw was geen professionele categorie. Het kon je buurvrouw zijn, met overgeleverde volkse kennis en ervaring, op wie je graag een beroep deed. Echter, vanaf het einde van de vijftiende eeuw kwam haar functie in het gedrang door de opkomst van mannelijke chirurgijns, die zich verzetten tegen de ‘onkunde’ van de vroedvrouwen. Met de verwetenschappelijking van de vrouwelijke seksualiteit in de zestiende eeuw, werd de eeuwenoude kennis en ervaring van vrouwen op het gebied van bevallingen, zwangerschap en vrouwenziekten in twijfel getrokken en opzijgeschoven door deze mannelijke artsen. Zij eigenden zich het volledige wetenschappelijke domein van het vrouwenlichaam toe en verboden vroedvrouwen om nog autonoom te handelen. Naarmate de geneeskunde zich verder ontwikkelde als academisch en wetenschappelijk vakgebied, werd het geleidelijk het exclusieve domein van de man. Vroedvrouwen werden nagenoeg uitgesloten.
Hedendaagse onderzoekers zijn geïnteresseerd in de periode waarin de behandeling van vrouwenziekten, geboortebeperking, abortus en bevalling in de praktijk nog in handen waren van vroedvrouwen. Het is boeiend om te onderzoeken hoe en over welke periode deze overgang naar het exclusieve domein van de man plaatsvond, rekening houdend met het feit dat dit een langzaam proces was. Tot in de negentiende eeuw bleef men in de volkscultuur geloof hechten aan waarzegsters en vrouwen die geheime recepten hanteerden om een zieke te genezen. Er zijn in die overgangstijd zeker overeenkomsten te vinden tussen de oude wetenschap van de vroedvrouwen en de beginperiode van de mannelijke chirurgijns, de latere gynaecologen. Een voorbeeld hiervan is het verband dat gelegd wordt tussen lichamelijke en geestelijke eigenschappen van de vrouw, en de warmte en de koude van de organen.
Ik wil geïnteresseerden een instrument geven om gemakkelijk op één locatie, de leeszaal van de Erfgoedbibliotheek, de aanwezige deelcollectie vrouwenstudies – gedrukt en digitaal – met een zo breed mogelijke blik voor onderzoek te benaderen, vertrekkend vanuit de vele perspectieven die vrouwenstudies biedt. Om terug te komen op wat ik zei over ‘vrouwelijke’ eigenschappen en het verband met de warmte en koude van de organen: hysterie werd beschouwd als een typische vrouwenziekte. Deze aandoening, die in de oudste medische bronnen duidelijk geassocieerd wordt met de vrouwelijke organen (vooral de uterus) en later met de hersenen, het zenuwstelsel en de temperatuur van de organen (warm/koud), is dé vrouwelijke ziekte bij uitstek. Het zou voor onderzoekers interessant zijn om de populaire theorieën over hysterie vanaf de klassieke oudheid tot ver in de twintigste eeuw na te gaan en te onderzoeken hoe deze vandaag de dag nog invloed uitoefenen. Stereotypen over de man als rationeel wezen en de vrouw als emotioneel wezen zijn opvallend. Ook neurasthenie (chronisch depressieve stemming, n.v.d.r.) werd trouwens lange tijd beschouwd als een typisch vrouwelijke ziekte.
Ja! Seksualiteit en de Rooms-Katholieke Kerk door de eeuwen heen: dát zou het onderwerp kunnen zijn van een grootschalig onderzoek met talloze bronnen, variërend van de catechismus tot allerlei handboeken en voorschriften over het huwelijk, de zuiverheid van de vrouw, de ziel van de vrouw, en seks voor de voortplanting.
Aanvankelijk twijfelden theologen zelfs of de vrouw wel een ziel had! Toen ze dat punt toegaven, schreven ze de erfzonde toe aan een vrouw, waardoor alle volgende generaties ‘besmet’ waren met de zonde via de vrouw. Vrouwen die zogenaamd contact hadden met de duivel konden als heksen gemarteld worden, op aanbeveling van kerkelijke specialisten. De weigering om vrouwen toe te laten tot het kerkelijk ambt en het verplichte celibaat voor de bedienaars van de eredienst zijn nog steeds van kracht.
Pas in de laatste decennia zijn de seksuele misbruiken binnen de kerk openbaar gemaakt en veroordeeld, maar niet bestraft. In de volksliteratuur reageren mensen met humoristische verhalen, liederen en spotprenten op geestelijken die niet aan de verleiding kunnen weerstaan. Elke onderzoeker op dat gebied heeft toegang tot veel bronnen, tenzij ze behoren tot de geheime archieven van de Rooms-Katholieke Kerk. Veel persoonlijke bronnen beroepen zich op het beroepsgeheim tegenover de ‘zondaars’. Bovendien had de kerkelijke hiërarchie de macht om bepaalde geschriften te censureren en hun publicatie te verbieden, op straffe van excommunicatie en mogelijke verbanning. Het zijn zaken die mij nog steeds kwaad maken.
Is er ooit een scriptie geschreven over het effect van de Rooms-Katholieke censuur door de eeuwen heen op geschriften of gedragingen van vrouwen, vergeleken met die van mannen? Of is er al een doctoraalscriptie geschreven over de bijdrage van de Rooms-Katholieke leer en instellingen aan de inferieure positie van vrouwen? Dat zijn dan vragen die bij me opkomen, bij het samenstellen van die deelcollectie vrouwenstudies, door de soms shockerende aard van het door en door vrouwonvriendelijke materiaal dat bij het speuren naar kerkelijke bronnen door mijn handen ging.
Zeker. Ook de eerste feministische golf in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond als reactie op onderdrukkende voorschriften. Daarvan vind je bij de Rooms-Katholieke Kerk een mooi voorbeeld: de catechismus. De catechismus was een voorwaarde om tot de Rooms-Katholieke Kerk te mogen behoren. Voor het doopsel, direct na de geboorte, waren de ouders verantwoordelijk, maar zodra men kon lezen en schrijven moest men de tien geboden en de vragen van de catechismus letterlijk kunnen beantwoorden. Om het uit het hoofd leren van de catechismus te bevorderen, was de tekst opgesteld in vraag- en antwoordvorm.
Het was een klein boekje, maar zéér bepalend voor de toekomst. De inhoud ervan was het minimum om een eerste communie te mogen doen, om waardig als christen te kunnen leven en sterven. Er werden zelfs toneelstukken en liederen gemaakt ter verklaring van de catechismus! In de loop der jaren stapelden de uitgaven zich op. Interessant is dat bepaalde uitgaven soms als prijsboek werden gebruikt. Vooral meisjes leerden via de catechismus hoe ze christelijke vrouwen moesten zijn.
Het was even onvermijdelijk dat er een tegenreactie zou komen op dat dominante drukwerk, vanuit de niet-gelovige, liberale hoek en vanuit de feministen. Een van de eersten was Louis Frank (1864- 1917), voorzitter van de Liga voor de Rechten van de Vrouw, die veel schreef over vrouwenrechten, toegang van vrouwen tot het openbaar ambt, de vrouw-advocaat, de politieke situatie van de vrouw, de opvoeding van meisjes tot moeders, enzovoort. In 1894 publiceerde hij een alternatieve catechismus, Le grand catéchisme de la femme. Een verkorte, Nederlandstalige editie uit 1932, De catechismus van de vrouw, kwam van de Belgische pioniers van de feministische beweging begin twintigste eeuw: Yvonne de Man, Hélène Dennis en Berthe Labille, vijftig (!) jaar nadat de strijd van de socialisten voor het stemrecht begon en de vrouwen ‘vergeten’ waren. In die publicatie wordt onder meer gevraagd of de vrouw te allen tijde moet gehoorzamen aan haar man. Het boekje werd vooral binnen de socialistische beweging verspreid.
Absoluut. Onderzoekers zouden bijvoorbeeld kunnen nagaan welke invloed de verzuiling in de negentiende en twintigste eeuw gehad heeft op de kennis en beleving van seksualiteit. Ook zou men kunnen onderzoeken welk effect de feministische beweging gehad heeft op de seksualiteit in België. Een goed startpunt is het boek Begeerte heeft ons aangeraakt: socialisten, sekse en seksualiteit (2011), een essentieel werk voor de onderzoeker dat regelmatig opnieuw onder de aandacht gebracht moet worden. Auteur en pionier was Denise De Weerdt (1930-2015), historica, voormalig archivaris van de stad Gent en bekend als geschiedschrijfster van het socialisme en het feminisme in België. Voor dit indrukwekkende werk schreef zij de inleiding waarin ze terminologie en opzet verduidelijkt: “nagaan hoe het brede spectrum van het socialisme, de vrijzinnigheid en de arbeidersklasse reageerden op en omgingen met het seksuele leven … het emancipatorisch proces van het socialisme in de seksuele bevrijding en bewustwording van de arbeidersklasse te achterhalen.” In een overwegend Rooms-Katholiek land als België, met veel taboes, wetten en verboden, is dat een hele opdracht. Wanneer socialisten probeerden deze taboes te doorbreken, werden ze ‘immoreel’ verklaard. Verschillende deskundigen hebben bijgedragen aan dit werk, waarbij de rol van de vrouw en vrouwelijkheid, maar ook politiek, literatuur en beeldvorming een grote rol spelen.
Door mijn voorkennis en doordat ik als vrijwilliger diepgaand op deze interessante deelcollectie kon werken in de Erfgoedbibliotheek, heb ik verschillende mogelijkheden voor onderzoek in dit materiaal getraceerd, zoals je merkt. Ik zal er nog enkele geven. Sinds het ontstaan van de feministische bewegingen in de negentiende en twintigste eeuw, is het debat over ‘natuur’ versus ‘cultuur’ een constante factor geweest. Veel onderzoekers voelen zich gedwongen te kiezen tussen een van beide – eigenlijk een valse tweedeling – zonder zelfs maar de mogelijkheid van een gecombineerde positie te overwegen. De term ‘vrouwenstudies’ heeft plaatsgemaakt voor ‘genderstudies’, waardoor de focus verschuift naar de (machts)relatie tussen man en vrouw, in plaats van alleen de positie van vrouwen. Deze evolutie van vrouwenemancipatie naar vrouwenstudies en vervolgens naar genderstudies verdient trouwens de aandacht van elke onderzoeker die met historische bronnen rond vrouwen bezig is.
Nog een voorbeeld van een mogelijke onderzoekslijn. Vanuit een feministisch perspectief is het thema van de ‘ideale huisvrouw’ een interessant onderzoeksobject. Wanneer ontstaat de idealisering van ‘de huisvrouw’, waarom en hoe evolueert dat beeld in de loop der tijd? Hoe is dat concept terug te vinden in de Zuidelijke Nederlanden?
Inderdaad! Ik doe dat om anachronistisch denken tegen te gaan, iets dat een student of een jonge, beginnende onderzoeker, die (nog) niet die historische bagage heeft, al eens sneller durft te doen. Zaken ontstaan niet in het ijle, maar in een specifieke plaats en tijd. En wat nu soms nieuw lijkt, is vaak ook vroeger al aan bod gekomen. Het is belangrijk die voorlopers te kennen. Ik wil meehelpen om die historische, sociologische en politieke evoluties in kaart te brengen en te documenteren, om de huidige onderzoeker te ondersteunen en te helpen.
Ja. Sommige schrijvers hebben een belangrijke rol gespeeld in mijn leven én mijn intellectuele vorming als persoon.
Simone de Beauvoir (1908-1986) veroverde in 1949 de wereld met haar scherpe analyse in Le Deuxième Sexe. Vanuit haar existentialistische invalshoek zag ze de vrouw als ‘De Andere’ en maakte ze een grondige analyse van de biologische, psychische en economische oorzaken. Dit boek zette de wereld aan het denken. Je werd niet als vrouw geboren, je werd tot vrouw gemaakt! Deze visie creëerde bij vrouwen een nieuw bewustzijn, onderbouwd met argumenten uit meerdere academische disciplines. Haar inzichten en haar steun voor de opkomende Franse feministische beweging leidden tot een nieuw elan, een nieuwe dynamiek onder vrouwen in veel landen. Dat blijkt uit de vele vertalingen van Le Deuxième Sexe.
Voor mij was dat boek een eyeopener. Mijn exemplaar, The Second Sex (ik was toen in Canada), dateert van 1952. De Engelstalige pers reageerde heel enthousiast. Er volgden meerdere herdrukken tussen 1953 en 1965. In dat laatste jaar waren er al 400.000 exemplaren in omloop. Dit boek markeerde voor mij het begin van een levenslang onderzoek, studie en onderwijs in ‘vrouwenstudies’.
Ja, het persoonlijke en het professionele zijn bij mij sterk verweven, vanuit mijn activistische reflex. In Vlaanderen vond in de jaren 1960-1970 een tweede feministische golf plaats, vergelijkbaar met die in Nederland. Inspiratiebronnen waren Simone de Beauvoir, de Dolle Mina’s en de eerste cursussen vrouwenstudies. De Beauvoir en Germaine Greer waren aanwezig op de allereerste nationale vrouwendag in België op 11 november 1971, georganiseerd door het Vrouwen Overleg Komitee, met Rita Mulier (recent 90 jaar geworden!) als voortrekster. Deze vrouwendag wordt nog steeds jaarlijks gevierd op 11 november en ik mis hem nooit! Het Vrouwen Overleg Komitee kreeg intussen de naam Furia. Seksualiteit, abortus en huwelijk waren enkele van de eerste thema’s voor Vlaamse en Nederlandse feministen.
De Vlaamse psychologe Renée Van Mechelen (1946-2007) deed het eerste onderzoek naar rollenpatronen bij meisjes en jongens in het onderwijs. Aan de universiteit volgden al snel studies over de seksesegregatie op de arbeidsmarkt. In 1977 richtte Van Mechelen RoSa vzw op, een kenniscentrum voor gender en feminisme. Doel was alle documentatie rond sekserollen en feminisme te verzamelen, te bewaren en publiekelijk toegankelijk te maken. Dat kenniscentrum heeft inmiddels een rijke collectie.
Er werd ook aandacht besteed aan de archieven van feministen en feministische organisaties. Dankzij subsidies van de toenmalige minister van Gelijke Kansen, Miet Smet, en de minister van Openbare Werken, Paula Vanopdenbosch-D’Hondt, werd een gebouw in Brussel vrijgemaakt voor een professioneel archief en een onderkomen voor bepaalde feministische organisaties en evenementen. Het gebouw kreeg de naam Amazone. Het archief groeide uit tot het Archief- en Onderzoekscentrum voor Vrouwengeschiedenis (AVG-Carhif) en bevat zeer zeldzame documenten die nuttig zijn voor onderzoekers. Binnen Furia ontstonden protestacties, vooral van feministen die vonden dat zij onvoldoende of zelfs geen aandacht kregen: lesbische vrouwen en vrouwen van kleur, later ook de ruimere Lgbtqia-beweging. Zij richtten hun eigen organisaties op en publiceerden hun eigen kranten, boeken en petities. Een boegbeeld van de lesbische vrouwen in Vlaanderen is Suzanne Cautaert. Zij richtte de organisatie Refleks op en publiceerde haar ervaringen, inclusief de eerste publicaties en acties rond geweld op vrouwen, een thema dat in 2020 opnieuw actueel werd, maar altijd een aandachtspunt geweest is voor feministische analyses en acties.
Op het vlak van kennis en ervaring over vrouwenlichamen, vrouwenziekten, menstruatie, bevallingen, zwangerschap, menopauze, borstvoeding, borstkanker, en dergelijk gebeurde er iets interessants bij het begin van de feministische beweging in de VS in 1968. Een groep vrouwen, onder wie ikzelf, merkte op dat in de toenmalige medische handboeken aan de universiteiten het menselijk lichaam afgebeeld en besproken werd als een mannenlichaam. Dat was duidelijk de standaard. Er was nauwelijks informatie over vrouwelijke varianten. Daarom namen wij, de Boston Women’s Health Collective, het initiatief om een aanvullend handboek te maken, A course by and for women, eerst onder de werktitel Women and their Bodies, later Our Bodies, Ourselves. Samen met een aantal deskundige vrouwen maakten we een uitgebreide cursus over anatomie, seksualiteit, mythen over vrouwen, geslachtsziekten, anticonceptie, abortus, zwangerschap, voorbereide bevalling, postpartum, enzovoort. De eerste uitgave was onmiddellijk uitverkocht; de vraag was enorm. Sindsdien is dat document uitgegroeid tot een wereldwijde bestseller, vertaald in meerdere talen. Een latere editie die ik in een gewone boekhandel gekocht heb, dateert van 1998, en draagt nog steeds de titel Our Bodies, Ourselves. For the New Century, nog steeds gepubliceerd door de Boston Women’s Health Book Collective, maar nu een stuk dikker.
Er is ook een aanvullende uitgave Ourselves Growing Older. Women Aging With Knowledge And Power, door Paula B. Doress-Woters en Diana Laskin Siegal, ook bij Simon & Schuster. In het Nederlands is Our Bodies, Ourselves vertaald als Je lichaam, je leven: het lijfboek voor vrouwen. Deze eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1975, onder de naam van de Nederlandse feministe Anja Meulenbelt. Hiervan verscheen in 1982 de negentiende druk. Het boek is vertaald in 29 talen en overgenomen door vrouwenbewegingen over de hele wereld. Er zijn vier miljoen boeken van verkocht en het mag zeker beschouwd worden als een feministische klassieker!
Deze evolutie illustreert hoe de vrouwenbeweging altijd hand in hand gegaan is met vrouwenstudies. Bij elke stap van verzet hoorden onderzoek en publicaties. In Our Bodies, Ourselves kwam ook de weerbaarheid van vrouwen uitgebreid aan bod: hoe zich te verzetten tegen alle vormen van geweld? In België werd dat thema, via onderzoek en praktijk, uitgewerkt door de feministische organisatie Refleks, met weinig subsidies van de overheid. In 1999 schreef initiatiefneemster Suzanne Cautaert een bondig overzicht in het jubileumboek De donderjaren van Refleks 1983-1999, uitgegeven door Refleks Weerbaarheidscentrum vzw, ook een geschiedenis die dreigt verloren te gaan.
Cautaert publiceerde in 2013, in eigen beheer, het boek Onder het tapijt, een ‘spannend verhaal gebaseerd op ware gebeurtenissen’ over geweld, intimidatie en grensoverschrijdend gedrag. Ook een dergelijk boek dreigt verloren te gaan in de collectieve herinnering. Hetzelfde geldt voor de jaarrapporten van de talrijke vrouwencentra in Vlaanderen, uit de jaren 1970-2000, waarin zowel het studiewerk, lezingen, workshops als acties opgenomen zijn. Het terugvinden van deze documenten bemoeilijkt het werk van de onderzoeker die wil nagaan hoe de vrouwenbeweging en vrouwenstudies altijd met elkaar verbonden waren, ondanks de hulp van archieven zoals dat van Amazone.
De integratie van een genderperspectief in historisch onderzoek heeft verstrekkende gevolgen, die verder gaan dan alleen het aanvullen van bestaand onderzoek. Het vraagt om een fundamentele heroverweging van concepten, die vaak hun betekenis gekregen hebben vanuit een mannelijk perspectief, vooral in werken over seksualiteit, zoals ik eerder aanstipte.
Aan het einde van de twintigste eeuw begonnen feministische organisaties en onderzoekers de term ‘genderstudies’ te gebruiken in plaats van ‘vrouwenstudies’. Het doel was om zowel mannelijkheid als vrouwelijkheid op te nemen, evenals structurele en biologische elementen. Het onderzoeksveld werd breder en verschoof van de oorzaak van ongelijkheid en discriminatie van vrouwen naar de structuren die ongelijkheid in stand houden. Later werd het veld verder verdiept door de ‘intersectionele’ benadering, die zich richt op de verwevenheid van etnische afkomst, huidskleur, geslacht, seksuele voorkeur en sociale klasse.
Meer weten? Hier vind je meer informatie.