De openbare bibliotheek van vandaag zet gebruikersparticipatie hoog in het vaandel. Ze is niet langer collectiegericht, maar gebruikersgericht. Daarbij is concrete inspraak van de gebruiker belangrijk. Het opzet van dit artikel is een overzicht te geven van de diverse domeinen waarin die inspraak kan bestaan, voorafgegaan door een korte terugblik op gebruikersparticipatie in de voorbije jaren en gevolgd door een praktische visie over hoe inspraak dagelijks kan werken. Ik toets deze telkens aan hoe ik ze in mijn loopbaan ervaren heb. Tot slot werpen we een blik in de toekomst.
Iedereen inspraak
Inspraak is in de openbare bibliotheek vanaf het bibliotheekdecreet van 1978 een belangrijk onderwerp geweest en was zelfs gebaseerd op een nog oudere wetgeving, namelijk de Cultuurpactwet van 1973. Hierin werd een regeling bedacht voor het beheer van lokale culturele instellingen, zoals culturele centra en bibliotheken. Ik wil hier niet in detail treden, de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie heeft zelf een informatieve website waarop alle informatie te vinden is. Globaal kan men echter stellen dat er steeds voor gezorgd moet worden dat in de beheersorganen en adviescommissies van de plaatselijke bibliotheek alle politieke, filosofische en ideologische strekkingen vertegenwoordigd zijn. In die zin is de cultuurpactwetgeving natuurlijk het kind van de tijd waarin ze ontstond: de klemtoon ligt eerder op de garantie van evenredige vertegenwoordiging dan op de inhoud van de inspraak.
Inspraak van gebruikers
De behoeften en de verwachtingen van de bibliotheekgebruikers werden door de jaren heen onderzocht in gebruikersonderzoek. Dat onderzoek begon reeds in de jaren tachtig van de vorige eeuw, het eerste mij bekende onderzoek werd uitgevoerd in de Kempense bibliotheken (onder andere in Balen en Turnhout), op initiatief van de Kultuurraad voor de Kempen (KRK). In 1986 schreef Egbert De Smet in de reeks Bibliotheekkunde van de VVBAD een handleiding voor gebruikersonderzoek. Recenter, in 2018 en 2022, waren er grootschalige onderzoeken op Vlaams niveau.
In welke belangrijke domeinen kan gebruikersinspraak zich ontplooien? Mediawijsheid is het eerste, we kunnen hierbij denken aan inspraak bij de samenstelling van de collectie. Heel nauw daarmee verbonden is de (e)-inclusie: het bereiken en betrekken van kwetsbare groepen. Bij die inclusie spelen bibliotheken een belangrijke rol. Hier gaat het bijvoorbeeld om inspraak in het bepalen van de prioriteit van bepaalde groepen tegenover andere. Het tweede domein waarin inspraak aan de orde komt, is het verlenen van toegang tot media: fysiek en digitaal. Hier kunnen we denken aan de verschillende soorten media en hun onderlinge verhouding. Een derde domein is de samenwerking met onderwijs. Bibliotheken stimuleren leerkrachten om ambassadeurs van de bibliotheek te worden, en kunnen hun de kans geven de werking van de bibliotheek mee in te vullen. Een vierde domein is dat van de verlaging van de drempel tot de bibliotheek, door bijvoorbeeld zo gebruiksvriendelijk mogelijk te zijn.
In de praktijk
Hoe kan inspraak in de opgesomde domeinen in de praktijk gebracht worden? Een eerste benadering sluit aan bij de cultuurpactwetgeving: een gebruikersraad of adviesgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeenschap en bibliotheekbezoekers. Bedoeling is dat de raad advies geeft over diensten, collecties, openingstijden en andere aspecten van de dienstverlening, met de bedoeling die te verbeteren. Ook advies over beleidsbeslissingen komt hier aan bod. Zelf heb ik gedurende een groot deel van mijn carrière zulke groepen begeleid. Inspraak op deze manier is niet zo gemakkelijk, omdat de werking van een lokaal bestuur er niet altijd op ingesteld is om met inspraak rekening te houden. Dat kan leiden tot demotivatie bij die adviesgroep.
Een tweede manier is het gebruik van suggestie- en evaluatieformulieren, al dan niet elektronisch. Suggesties voor aankoop zijn klassiek, maar ook evaluatie van activiteiten kan zo gebeuren. Inspraak via sociale media hoort hier ook bij. Met deze manier van inspraak, die minder met beleid dan met dagelijkse werking te maken heeft, heb ik wel goede ervaringen.
Ook het werken met vrijwilligers, een derde mogelijkheid, is heel zinvol. Door hen te betrekken bij evenementen, zoals lezingen of tentoonstellingen kan inspraak op een heel directe manier gebeuren. Ook in de dagelijkse praktijk, zoals bij het terugplaatsen van boeken, kunnen ze meedenken over de bibliotheekwerking.
De dialoog tussen gebruikers en personeel is een belangrijke vierde optie. In informele gesprekken kunnen bibliotheekmedewerkers vragen stellen over de dagelijkse werking en komen wensen en behoeften aan het licht door gewoon te luisteren.
Terugkoppeling is essentieel. De gebruikers moeten voelen dat met hun suggesties en opmerkingen rekening gehouden wordt. Dat kan gebeuren door te antwoorden via de sociale media van de bibliotheek, maar ook eenvoudig door lezers bij het aankopen van gesuggereerde boeken te verwittigen. Waardering voor de inbreng van de gebruiker is essentieel.
Toekomst
Gebruikersparticipatie kan ook belangrijk zijn naar de toekomst van de openbare bibliotheken in Vlaanderen toe. Een scenario dat vaak naar voren komt, is dat van de retailbibliotheek. In dat scenario blijft de bibliotheek zich concentreren op de traditionele fysieke collecties, vooral boeken. Het spreekt voor zich dat men dat maar kan doen in directe samenspraak met de lezer. Zelf vind ik het niet zo’n waarschijnlijk scenario, hoewel ik toegeef dat het boek beter standhoudt dan verwacht.
Een ander scenario laat de focus van de bibliotheken verschuiven naar ontmoeting en gemeenschap. Die bredere maatschappelijke rol kan maar bestaan wanneer de bibliotheek actief betrokken is bij de behoeften van de buurt waarin ze gesitueerd is. Persoonlijke interactie en nabijheid tot de gemeenschap zijn kenmerkend voor dat type bibliotheek. Dat scenario lijkt me eerder iets voor kleinere en lokale vestigingen die op die manier een belangrijke rol spelen in het dagelijkse leven van mensen.
Voor grotere bibliotheken wordt er eerder een evolutie naar informatieknooppunten geprojecteerd, waarbij ze tot digitale informatieplatformen verworden waar kennis gedeeld wordt en digitale interactie belangrijk is. Zelfs virtuele evenementen zijn mogelijk. De investeringen hierin kunnen maar rendabel zijn als ze in samenspraak met de gebruikers gebeuren. Hierbij kan men zich de vraag stellen of de bibliotheek dan nog wel een bibliotheek is, en ook of die grotere bibliotheken zich daarnaast niet beter inschrijven in het discours van de ontmoetingsbibliotheek.
Al bij al is de toekomst van de bibliotheeksector een behoorlijk diffuus gegeven. Maar als we kijken naar de voorbije jaren (sinds het bibliotheekdecreet van 1978), dan is het duidelijk dat, in welk scenario ook, bibliotheken maar relevant kunnen blijven wanneer ze voeling houden met de gebruikers op wie ze zich richten. Enkel door echte inspraak kunnen bibliotheken blijven bestaan die afgestemd zijn op de behoeften van de evoluerende maatschappij.