550 jaar geleden drukte Dirk Martens in Aalst het eerste gedateerde boekje in onze contreien. Hiermee deed de revolutionaire technologie van de boekdrukkunst bij ons haar intrede. De eerste boeken – zij die gedrukt werden voor 1501 – worden incunabelen of wiegendrukken genoemd. Ze nemen een unieke plaats in binnen ons gedrukte erfgoed als schakels tussen manuscripten en gedrukte boeken. Hoe vat je de complexiteit van deze incunabelen in een beschrijving? Wat vertellen ze over de weg die ze aflegden voor ze in een erfgoedcollectie belandden? Dat zijn de vragen waarmee het project IMPRESSVM. De wieg van de Vlaamse boekdrukkunst aan de slag ging.
Met IMPRESSVM bracht de vzw Vlaamse Erfgoedbibliotheken de vijftiende-eeuwse boekdrukkunst in Vlaanderen in kaart. Dankzij een projectsubsidie van de Vlaamse overheid en de samenwerking van 38 binnen- en buitenlandse organisaties realiseerde het project een open access-informatiebron die collecties met Vlaamse incunabelen zichtbaar maakt.
Tussen handschrift en oude druk
Voor de eerste drukkers en hun klanten hoorde een boek eruit te zien als een handschrift. Logisch, want dat is hoe boeken er tot dan toe uitzagen. De eerste drukkers beriepen zich voor de vormgeving op de middeleeuwse handschriftencultuur, bijvoorbeeld voor het ontwerp van lettertypes. Pas vanaf de zestiende eeuw kreeg het gedrukte boek zijn eigen karakter. Incunabelen vormen hierdoor een belangrijke schakel in de ontwikkeling van het boek zoals we het nu kennen.
Unieke objecten
Het in Vlaanderen gedrukte erfgoed tot 1801 wordt geregistreerd in STCV. De Vlaamse bibliografie van het handgedrukte boek (stcv.be). De uitgebreide, gestandaardiseerde bibliografische methode van STCV bleef ook voor IMPRESSVM de basis. De eigenheid van incunabelen kan echter niet zomaar gevat worden met deze methode. Zo stelt het gebrek aan titelpagina’s en katernsignaturen de catalograaf voor een uitdaging.
Wie er geld voor over had, kon bovendien aan zijn of haar incunabel nog initialen, randversiering en rubricering laten toevoegen, zoals ook manuscripten versierd werden. Deze ‘postproductie’- toevoegingen maken van elk exemplaar een uniek object. STCV beschrijft echter edities, geen afzonderlijke exemplaren, waardoor deze bijzondere elementen niet te registreren waren. Daarom ontwikkelden we speciaal voor dit project een exemplaarmodule. Die is opgebouwd rond drie thema’s: decoratieve elementen, boekbanden en herkomstmerken. Die laatste lichten we hier verder toe.
Herkomstmerken, of de levensweg van een boek
Herkomstmerken vertellen ons iets over de vorige eigenaren van het boek, bijvoorbeeld doordat die hun naam in hun boek schreven. Interesse in herkomstmerken blijkt onder meer uit het internationale project Material Evidence in Incunabula. Bij veel bibliotheken komt herkomstinformatie echter terecht in tekstvelden die niet doorzoekbaar zijn, wanneer de catalograaf tijd had om ze op te nemen. Een mooie uitzondering is de herkomstmodule van de Hendrik Conscience Erfgoedbibliotheek (Antwerpen).