Ook kun je de ander, zonder te overdrijven, een beetje spiegelen. Spiegelen is je inleven in je gesprekspartner door mee te gaan in bepaalde gebaren, houdingen of spreekgewoontes zoals tempo en volume. Een of twee keer tijdens een gesprek gebruik je een stopwoord van je gesprekspartner of knik je op dezelfde manier bij het luisteren. Door dat subtiele spiegelgedrag stimuleer je bij de ander het gevoel dat jullie een beetje hetzelfde zijn, wat zorgt voor een ontspannen sfeer.
Houd ook een comfortabele afstand aan ten opzichte van de ander. Wanneer iemand te dichtbij komt, wordt de sfeer al snel bedreigend of intiem. Ongeveer een armlengte afstand van de ander houden, is het comfortabelste. Blijf intussen van je telefoon. Het is onmogelijk een gesprek met iemand te voeren, daarbij actief te luisteren en intussen op je telefoon bezig te zijn.
Besef wel dat lichaamstaal behoort tot onze onbewuste communicatie. Je kunt erop letten, maar je zult er nooit volledige controle over hebben. Wees daarom voorzichtig met het interpreteren ervan. In oktober koelt het in België al wat af. Wanneer een ander zijn houding sluit door de armen te kruisen, wil dat nog niet zeggen dat hij niet geïnteresseerd is in jullie conversatie. Hij kan het ook gewoon wat koud hebben. Zet controlevragen in als je twijfelt.
Hoeveel moet je zelf praten?
Eerder in deze tekst raadden we je aan de ander te laten vertellen en zelf niet te veel te praten. Een veelgemaakte fout is immers dat mensen soms zelf willen vertellen hoe fantastisch ze zijn. Dat werkt niet. Anderen zullen dat pas van je zeggen wanneer jij erin slaagt hen centraal te stellen.
Aan de andere kant zul je eigenlijk dikwijls aan het woord zijn. Jij stelt immers vragen en controleert regelmatig of je alles juist begrepen hebt. Dat is al heel wat. Mocht je bovendien zelf helemaal niets vertellen, loop je de kans dat anderen je niet authentiek vinden. Vertel dus gerust ook zelf wat, maar geef dan het woord weer aan de ander met een open vraag.
Een gesprek in groep
Netwerken gaat er in tweede instantie om dat de ander jou kan helpen door zijn netwerk voor je te mobiliseren. Geef daarom zelf het goede voorbeeld en betrek ook anderen in je conversatie. Wanneer Jana, de data protection officer (DPO) van jullie organisatie, voorbijkomt, kun je haar introduceren als: “Dit is Jana, onze DPO. Zij is onze privacyexperte en zorgt dat we alle regels volgen.” Aan Jana zou je kunnen zeggen: “Dit is Pieter van de Gegevensbeschermingsautoriteit. We hadden het net over het belang van privacy in openbare archieven.” Nu kan iedereen verder meepraten.
Maak je geen zorgen als je later het gesprek moet verlaten. Naast die privacy in openbare archieven, hebben de deelnemers aan dit gesprek nu een extra onderwerp om over te praten: jou. En jij hebt zonet iedereen op een aangename manier in het gesprek betrokken. Dat is zeldzaam en kan je heel wat sympathie opleveren.
Hoe sluit je een netwerkgesprek af?
Op netwerkevenementen kun je vele verschillende gesprekken voeren. Meestal zijn die relatief kort. Het is dus normaal dat je het gesprek op een bepaald punt afrondt.
Dat beëindigen kan eenvoudig gebeuren door te verwijzen naar iets of iemand anders waar je vervolgens naartoe moet. Zeg bijvoorbeeld dat je je directeur daar ziet en hem nog enkele papieren moet doorgeven. Of kijk op je uurwerk en zeg dat de volgende lezing binnen enkele minuten begint en dat je naar de zaal moet gaan. Verontschuldig je kort, maar bedank vooral voor het gesprek. “Bedankt voor deze toffe kennismaking. Ik heb weer wat bijgeleerd over het belang van klantvriendelijke medewerkers voor openbare bibliotheken. Dat is fijn.” is een mooie afsluiter. Het geeft immers aan waarvoor je bedankt.