Als beginnend archivaris bij een lokaal bestuur, ben je vaak de eerste ooit in die functie. Niet dat er tot dan toe helemaal niets gebeurde: dikwijls bekommerde de lokale heemkundige kring zich met veel enthousiasme over ‘het archief’. Helaas ging dat enthousiasme niet altijd gepaard met evenveel kennis. En dan kom jij, fris afgestudeerd en vervuld van quasi heilige archiefregels en selectiecriteria. Frustratie bij beide partijen. Aan de ene kant ronduit verbijstering, “want wie heeft ooit beslist dat dit in een archief thuishoort?”. Aan de andere kant angst en weerstand, “want ‘da joeng’ gaat hier toch niet alles weggooien wat wij zo naarstig verzamelden?”. Voeg daarbij een cocktail van nieuwe privacyregels (GDPR) en een archieflocatie die regelmatig overstroomt, waar schimmel zich thuis voelt en waar eigenlijk geen enkele logica qua plaatsing terug te vinden is. Pffff!
Fastforward naar drie jaar later. Alle archiefdozen verzameld op een nieuwe locatie, een fijne samenwerking met diezelfde heemkundige kring en zelfs een aantal nieuwe vrijwilligers. Ondertussen heb jij geleerd dat er bij de heemkundigen heel wat kennis over de lokale geschiedenis aanwezig is. En al is die kennis veeleer anekdotisch dan wetenschappelijk, ook dat heeft zeker zijn waarde. Denk maar aan het identificeren van personen of gebeurtenissen op foto’s, of het vinden van een uitgangspunt vanwaar dan weer gerichter in het archief gezocht kan worden. Ondertussen hebben de heemkundigen eveneens geleerd dat iets omschrijven als ‘geen archief’ niet automatisch betekent dat je het wilt weggooien, maar dat er ook zoiets als ‘documentatie’ bestaat. Ook daar hebben hun inspanningen veel waardevols opgeleverd. Want waar anders vind je elk krantenartikel dat de laatste vijftig jaar over lokale vereniging X verschenen is netjes gebundeld terug?
Dan merk je dat de bevolking opnieuw haar weg naar het archief vindt, en dat nieuwe vrijwilligers zich spontaan aanmelden. Dat is niet alleen extreem nuttig, maar ook gewoon leuk. Want wanneer we tussen het schonen door, uiteraard ver van archiefstukken verwijderd, samen een taartje eten, durf ik bijna te vergeten dat dit ‘werken’ is. Zo krijg je wel het risico dat tegelijkertijd met de groei van het archief ook je eigen omvang toeneemt.