De wet-Destrée

META Nummer 2021/6

De wet-Destrée

Geschreven door Chris Peeters
Gepubliceerd op 31.08.2021

Van volksboekerij naar openbare bibliotheek

IMPORTANT
Portret van Jules Destrée door Albert Besnard

De wet op de openbare bibliotheken of de wet-Destrée, genoemd naar de toenmalige minister van Kunsten en Wetenschappen Jules Destrée (1863-1936), werd door het Belgische Parlement met eenparigheid van stemmen aangenomen op 17 oktober 1921. Iedereen die in dit land enige bibliotheekopleiding genoten heeft, moest zeker de voor- en nadelen van deze wet als onderdeel van een cursus bibliotheekgeschiedenis kennen.

Een korte historische schets

De wet-Poullet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en zorgde voor een forse daling van de ongeletterdheid onder de bevolking. De Groote Oorlog (1914-1918) leidde niet alleen tot een grote hongersnood in de bezette gebieden, maar door de werkloosheid ook tot een grote leeshonger. Door het Hoofdcomiteit der Werken voor Volkslectuur, opgericht in 1915, werden een aantal reizende bibliotheken ondersteund die via een systeem van boekenkisten “met het edel doel het volk op te beuren” her en der lectuur verschaften. Na de oorlog drongen zich echter structurele maatregelen op, onder andere onder invloed van de verspreiding van de Public Library-beweging in heel Europa. In verschillende toespraken verkondigde Destrée de noodzaak om de lectuurvoorziening te organiseren als een openbare dienst.

In de memorie van toelichting bij de wet drukt hij zich als volgt uit: “De ontwikkeling der openbare bibliotheek moet dus voor den wetgever een voorwerp van bezorgdheid uitmaken. Op het huidige uur komt die plicht bijzonder dringend voor, om drie hoofdredenen: de eerste dat een nationale wederopbouw moeilijk kan worden opgevat zonder geestelijke herstelling; de tweede bestaat hierin dat het in voege komen van het achturen-werk in de werkhuizen voor gevolg heeft aan de werklieden acht uren vrijen tijd te bezorgen, en dat de hervorming slechts op een halven maatregel zou uitloopen zoo, (…) zij niet vergezeld ging met de bezorgdheid om aan de werkers een nuttig en gezond tijdsverbruik voor hun nieuwe vrije stonden te verschaffen; de derde is de hooge prijs welke de boeken heden ten dage bereiken, (…) welke noodzakelijk den individuelen aankoop er van verzeldzamen.”

De commissie die het wetsontwerp zou voorbereiden, had tussen oktober 1920 en april 1921 slechts een beperkt aantal vergaderingen nodig om tot een consensus te komen. Vanaf de eerste vergadering stonden de voorstanders van een verplichte gemeentelijke bibliotheek tegenover de verdedigers van het privaat initiatief. Die discussie zou nog een halve eeuw actueel blijven. Vlak na de Groote Oorlog vreesden velen echter dat een wet waarbij de gemeente verplicht werd naast de school een bibliotheek te openen, een brug te ver was, gezien de lamentabele financiële naoorlogse omstandigheden.

Er werd overeengekomen om, zoals voor de organisatie van het onderwijs, de gemeenten toe te laten een vrije bibliotheek aan te nemen. Het systeem van aanneming bestaat erin dat de gemeente, om enigszins tegemoet te komen aan de verplichting om een gemeentelijke bibliotheek op te richten, als het ware een instelling van het privaat initiatief ‘adopteert’. In een aannemingsovereenkomst wordt bepaald wat de rechten en plichten zijn van zowel de instelling die overgenomen wordt als van de gemeente. Bovendien zou aanvullend ook het zuiver privaat initiatief hulp en toelagen van de Staat kunnen verkrijgen indien het voldeed aan de voorwaarden tot erkenning. Dat politiek compromis kon de goedkeuring van de driepartijenregering wegdragen. Hierdoor werd de bestaande toestand van gemeentelijk en vrij initiatief bevroren, wat uiteindelijk zou leiden tot de trage evolutie naar het decreet van 1978.

Het is interessant om via een aantal commentaren en getuigenissen van tijdgenoten te zien hoe de realisatie van de grondideeën achter de wet-Destrée nog heel wat kinderziekten kende.

IMPORTANT
Jules Destrée. © Amsab-ISG

Standpunten van het werkveld

Ontegensprekelijk is de totstandkoming van de wet een enorme trigger geweest voor de oprichting van het Verbond der Boekbewaarders van het Vlaamsche land, een voorloper van de VVBAD, die ook de Bond der Vlaamsche bibliothecarissen geheten heeft. De nieuwe organisatie nam reeds in een zeer vroeg stadium een constructief-kritische houding aan ten opzichte van het wetsontwerp en de wet zelf. Nog voor de stemming van de wet werd een motie met de voornaamste eisen verstuurd naar minister Destrée, de Vlaamse volksvertegenwoordigers en de pers.

Kort na de stemming evalueerde het bestuurslid Aimé De Cort in het eerste nummer van De Bibliotheekgids (BG, 1922, p. 15-21) de wet als volgt: “Deze wet, die den toestand regelt der openbare boekerijen — gemeentelijke, aangenomen of vrije, is een ernstige poging om deze nuttige volksinstellingen te steunen en daarover mogen we gelukkig zijn. Het is de eerste officieele steun van staatswege; het is de erkenning en de bekroning van menig edel initiatief. Maar de wet zal stellig spoedig moeten aangevuld worden.”

Het artikel gaat verder in op een aantal verbeterpunten: Vooreerst betreurde de vereniging dat bij de samenstelling van de voorbereidende commissie “geen beroep (werd) gedaan op afgevaardigden van het Willemsfonds en het Davidsfonds of op bibliothekarissen die lange jaren ondervinding hebben.” Tussen 1922 en 1925 stuurde het bestuur dan ook verschillende brieven naar de beleidsverantwoordelijken met de vraag om “afgevaardigden (...) van den Bond der Vlaamsche bibliothecarissen en andere Vlamingen, die ons vertrouwen bezitten” op te nemen in de Hoogere Raad. Verder werd de wens uitgesproken dat het geplande orgaan van de Hoogere Raad, Le Bulletin Officiel des Bibliothèques, tweetalig zou zijn.

De in de begroting voorziene toelagen werden als volstrekt ontoereikend beschouwd: “Het is ongehoord dat men voor allerlei zaken miljoenen verspilt in alle ministeries en dat er geen cent gevonden wordt om den leeslust aan te wakkeren !”

Ook over de aard van de overheidssteun uitte de vereniging bezwaren: “De toelagen zijn, m. i., te verkiezen boven het sturen van boeken, daar de bibliothecarissen het best weten, welke soort van werken er noodig zijn en daar er veel boeken hersteld moeten worden. (…) Nu worden er soms uit het Departement van Kunsten en Wetenschappen werken toegestuurd, die in het geheel niet passen (…) En hoe weinig belangrijk schijnen ons die « 0,25 fr. per inwoner » toe ! (art. 4.) Het ware niet te veel, indien men de som van 600,000 fr. op 6 miljoen bracht…” 

De wedden van de bibliothecarissen waren ruim onvoldoende: “De wedde, waarvan het verslag der middenafdeeling spreekt, is gansch onvoldoende ! Sommige gemeenten verleenen nu reeds 1000 à 1200 fr. per jaar voor 2 zittingen, van 2 uur ieder, per week, zoo de meeste Brusselsche voorsteden. Hoe komt men dan nog spreken van 150 fr. voor 1 zitting of ongeveer 2 fr. per uur !”

Hiermee waren de voornaamste strijdpunten gedefinieerd die de vereniging de eerstvolgende jaren op het bord van het centraal bestuur en van de politici legde. Op de eerste algemene vergadering van december 1921, stelde de reeds genoemde Aimé De Cort voor een “verdedigingsbureel“ op te richten “om de grieven der leden te onderzoeken en zoo mogelijk te verhelpen. Het orgaan van de vereeniging zou ook moeten openstaan om die grieven te bespreken.” (BG, 1922, p. 46)

Een van die grieven betreft de moeilijkheid voor startende bibliotheken om de minimumnormen van boekenbezit te behalen. Een startsubsidie zou hier soelaas kunnen bieden (BG, 1922, p. 151): “Men verliest echter uit het oog dat juist die eerste kern, die eerste aanschaffing van boeken voor het privaat initiatief heel dikwijls het moeilijkste was vooral als men daarbij de installatiekosten nog rekent, (…) De inrichters zouden tot den Staat een aanvraag om een stichtingssubsidie moeten kunnen richten, terwijl het ministerie dan de noodige waarborgen zou eischen.”

In volgende bijdragen van De Bibliotheekgids wordt regelmatig teruggekomen op de gestelde eisen. Geconfronteerd met de realiteit dat verschillende gemeenten creatief omgaan met het voorwaardelijk verplicht karakter van de oprichting en ondersteuning van een bibliotheek, komt in de commentaren meer en meer de nadruk te liggen op de verschillende behandeling van bibliotheken. Zo ook in het julinummer van 1923 (BG, 1923, p. 186). “Maar wat zien wij gebeuren? Terwijl de staat alle boekerijen steunde (…) zien wij dit eerlijk princiep door de gemeenten en zelfs door sommige provincieraden niet toegepast (…) Zoo verkrijgt de boekerij van het Davidsfonds te Lebbeke jaarlijks 2200 fr. van het gemeentebestuur, terwijl het Willemsfonds, dat ook erkend is en groote diensten bewijst, er geen centiem ontvangt. Maar in vrijzinnige gemeenten gebeurt het tegengestelde... En zoo duurt de kleinzielige dorpspolitiek voort en dringt den partijgeest in het steeds verachterde bibliotheekwezen, daar waar er spraak was eindelijk ons volk te verheffen door de lektuur...”

IMPORTANT
Ontwerp van de wet-Destrée in de Kamer. Referentie: parlementaire stukken van de Kamer.

De (quasi-)kosteloosheid van uitleningen gecombineerd met de onvoorwaardelijke toegankelijkheid geeft aanleiding tot meeruitgaven voor grotere bibliotheken zodat zij terugschrikken om zich te laten erkennen en op die manier staatssteun ontberen (BG, 1923, p. 307): “De openbare bibliotheek verplichten boeken in bruikleen te verstrekken aan reizigers, schippers, bewoners van andere gemeenten, biedt bezwaren van meer dan een aard. De boekenvoorraad zou erg aan verliezen bloot gesteld staan (…), en voor een tegemoetkoming van Staatswege (…) zou de boekerij, door de gemeente onderhouden, evenveel ten goede komen aan lezers buiten haar grondgebied.”

Om het probleem van de onderfinanciering gedeeltelijk te verhelpen, deed de vereniging ook constructieve voorstellen zoals een bibliotheekbelasting naar het voorbeeld van de Ewart Act (1850) in het Verenigd Koninkrijk (BG, 1923, p. 85-86): “Welke wegen staan nu open om het bibliotheekwezen te dienen, de wet in milden zin toe te passen en toch te gemoet te komen aan de te recht geopperde finantieele bezwaren ? (...) Het voorbeeld van het buitenland moge een uitweg bieden (…) Thans verkeeren de besturen in nood! Zij zijn niet vrij belastingen te heffen en wachten reikhalzend het oogenblik af dat de resultaten van de vernieuwing van ons belastingstelsel bekend zullen zijn (…) Een bibliotheekbelasting op een Musea- en Bibliotheekbelasting kan dan misschien geind worden.”

Een ander voorstel betreft de fusie van kleinere bibliotheken. Dat was weliswaar een gevoeliger onderwerp, omdat het zich in een conflictzone bevond tussen enerzijds de voorstanders van het overheidsinitiatief en anderzijds het gros van de (meestal) katholieke vrije bibliotheken. Toch kon aan de problematiek niet voorbijgegaan worden. Zo stelde De Corte in een tussenkomst tijdens de algemene vergadering van 11 januari 1923 te Mechelen (BG, 1923, p. 38): “In vele gemeenten worden krachten en geld verspild aan afzonderlijke kleine boekerijen. Toelagen en geschenken van Staat, provincie en gemeente moeten verdeeld worden. Beter ware het die kleine boekerijen te versmelten om zoo met dezelfde middelen, veel gunstiger uitslagen te bekomen (…) Dit princiep zou kunnen leiden tot het benadeelen, door sommige besturen, der boekerijen van andere gezindheid. De voorzitter antwoordt dat daarvan nooit spraak kan zijn. De versmelting is natuurlijk slechts mogelijk van boekerijen eener zelfde strekking.”

Het zal niemand verwonderen dat verschillende bijdragen in De Bibliotheekgids tijdens de eerste jaren gewijd zijn aan de kwaliteit van de beroepsopleiding. Er moet in de cursus die voorbereidt op het bekwaamheidsexamen niet alleen aandacht zijn voor de bibliotheconomische aspecten van het bibliotheekwerk, maar ook voor de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de bibliothecaris – zijn persoonlijkheid, zijn algemene ontwikkeling en zijn beslagenheid op het vlak van literatuur – en de morele verantwoordelijkheid van de bibliothecaris.

Het verslag van de eerste leergangen en examens, ingericht in 1921 en 1922, maakt melding van een aantal verbeterpunten (BG, 1922, p. 284-287): “Niet in alle leergangen werd dezelfde stof verhandeld en alle jurys waren niet eensluidend bij het vragen stellen ; daarom zal voortaan gezorgd worden (…) dat er meer eenheid en samenhang heersche.” Opmerkelijk is de passage waaruit ontgoocheling blijkt over de literaire bagage van de kandidaat-bibliothecarissen: “Maar hoe werden de verwachtingen hier beschaamd! Vele kandidaten konden geen tien levende Vlaamsche schrijvers opnoemen: anderen hadden geen of slechts 1-2 werken van modernen gelezen; anderen rangschikten Shakespaere onder de… pedagogische schrijvers ! Geen wonder dus, dat de jurys besloten hebben voor te stellen, dat voortaan de letterkundige geschiedenis zou deel uitmaken van het programma en dat de leergangen voor alle kandidaten zouden verplichtend zijn.”

De wet-Destrée had geen enkele rol toegedicht aan de provincies. Toch toonden verschillende provincies zich bereid om financieel bij te springen, iets wat door de vereniging hartelijk onthaald werd. In de verschillende provincies werden provinciale bibliotheekcommissies opgericht waarin bibliothecarissen een actieve rol speelden. Dat belette de vereniging echter niet om, indien het nodig was, een kritische houding aan te nemen, vooreerst ten aanzien van de verschillende betoelaging per provincie.

Reeds in De Bibliotheekgids van 1922 (BG, 1922, p. 176-177) leest men kritiek op de overdreven administratieve last van het door de provincie Antwerpen opgelegde uitleenregister. Ger Schmook van zijn kant leverde striemende kritiek op de uitgave van een modellijst van boeken, uitgegeven door de provincie Oost-Vlaanderen: “Wij hopen, dat dit boek nooit de grenzen zal overgaan, en dat er op tijd en stond door de Kommissie van Openbare Bibliotheken en Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen zal stelling genomen worden tegen deze uitgave.” (BG, 1926, p. 137)

Op de algemene vergaderingen en de congressen van de twintiger jaren waren telkens hoge ambtenaren van de centrale administratie en de inspectie aanwezig. Zij spraken hun waardering uit voor de inzet van de vereniging. Naarmate echter de jaren vorderden, staken sprekers op de bijeenkomsten van de vereniging hun onvrede over de al te optimistische interpretatie van de groeicijfers en de zelfingenomenheid van de centrale overheid niet onder stoelen of banken. Tekenend is een tussenkomst van A. De Block, bibliothecaris van de Boekerij van het Volkshuis, op de algemene vergadering van 18 april 1927: “(...) Saboteurs der Openbare Boekerij. Wie saboteert ? De Staat : de Staatstoelage is ontoereikend. Ze wordt nochtans niet verhoogd : er is immers geen geld. Wel voor mitrailleuses voor de gendarmerie. (…) Officieele sabotage : De Inspectie. De Inspecteurs zijn met den besten wil bezield, maar hun organisatie is te ad-mi-nis-tra-tief. Er wordt te veel belang gehecht aan cijfers, met als onvermijdelijk gevolg : scheeve statistieken die de werkelijkheid verdoezelen. De bibliothecarissen zelve denken meer aan statistiek dan aan opleiding van de lezers (...)” (BG, 1927, p. 56-57)

IMPORTANT
De uitnodiging tot de eerste bijeenkomst van het Verbond der Boekbewaarders van het Vlaamsche Land. © AMVC

Hoe ervoer een van de eerste inspecteurs de inwerkingtreding van de wet?

Het moet echter gezegd dat ook van de kant van de toezichthouders kritiek te horen was op de wet en zijn uitvoeringsmodaliteiten. Pierre Recht was advocaat en, tussen 1921 en 1928, “opziener eerste klas voor het Waalsch gedeelte van het land”. Hij bundelde, gebaseerd op zijn ervaringen en bezoeken aan bibliotheken, zijn commentaar op de wet-Destrée in de publicatie Les bibliothèques publiques en Belgique. De opmerkingen van Recht geven een goed beeld van de “leemten en gebreken” bij de toepassing van de wet.

Een eerst kritiek betreft de vrijblijvendheid van de wet. Volgens art. 2 van de wet ‘mogen’ de gemeenten openbare bibliotheken stichten. Zij worden slechts verplicht indien een vijfde van het kiezerskorps de oprichting van een bibliotheek aanvraagt. De gemeente was dus voorwaardelijk verplicht. Maar ze kon zich er ook aan onttrekken indien er reeds een vrije, door de Staat erkende bibliotheek bestond. Recht heeft hiervoor een speciale term bedacht: “vrije werkeloosheid”. Die toestand heeft zich herhaalde malen voorgedaan. Recht wijst erop dat veel “weerspannige besturen” gebruikgemaakt hebben van de dubbelzinnigheid in de wet. “Gewis, zoo de particulier die de bibliotheek gesticht heeft een vriend van het gemeentebestuur of een partijman is, zal de geest der wet niet worden nageleefd; zulks is ongelukkiglijk dikwijls het geval.” (Recht, p. 27)

De publicatie van Recht gaat in op tal van problemen waarmee bibliotheken geconfronteerd werden om tegemoet te komen aan de erkenningsvoorwaarden. Zij maken duidelijk dat een heel aantal omstandigheden een kwalitatieve uitbouw van openbare bibliotheken belemmerden. Wat Recht zegt over de inrichting van de lokalen doet toch de wenkbrauwen fronsen: “ ’t Is zo erg niet als het lokaal wat vochtig is of minder gemakkelijk toegankelijk dan een postkantoor: de bibliotheekkundige regel is de rechtskundige regel niet.” Pragmatisme troef dus. Lokalen van volkshuizen en patronaten kunnen volgens de hoofdinspecteur wel aangenomen worden want: “In België is de vrije openbare bibliotheek een verzinsel (ze heeft niets gemeen met de Engelsche “Public library”) en het is krachtens dit verzinsel dat ze als openbaar wordt beschouwd: zoo men dat echter niet deed, zouden er geen vrije bibliotheken meer zijn: het zijn haast alle katholieke of socialistische.” (Recht, p. 59)

Het is niet te verwonderen dat het probleem van de boekenkeuze herhaaldelijk onderwerp van discussie was. Tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Kamer had M. Woeste kernachtig verklaard: “Het vraagstuk der openbare bibliotheken komt neer op het vraagstuk der boekenkeus.” In het verslag van de parlementaire discussie van 3 augustus 1921 lezen we de reactie van de minister: “Répondant à une question de l’honorable M. Woeste, l’honorable ministre a déclaré que le choix des livres doit être laissé aux bibliothèques elles-mêmes.” Recht zegt daarover: “De wet biedt geen enkel middel aan om een bibliotheek af te wijzen die geen andere boeken zou tellen dan werken over een bepaalden godsdienst of verklarende werken over Karl Marx .” (Recht, p. 61)

Recht gaat uitvoerig in op het probleem van de bekwaamheidsbewijzen van de bibliothecaris. Volgens de wet moest de bibliothecaris van Belgische nationaliteit zijn, man of vrouw, in het bezit van een bekwaamheidsgetuigschrift, tenzij hij/zij daarvan vrijgesteld is. Vrijstelling kan gebeuren op basis van een ministerieel besluit. Recht haalt het voorbeeld aan van de benoeming van een bibliothecaris van zeventig jaar (normaal jonger dan vijftig) die nog geen volle vijftien jaar in dienst is, maar die wegens zijn bijzondere kwaliteiten (niet nader vernoemd!) benoemd kon worden.

Er waren ook vrijstellingen van rechtswege mogelijk, bijvoorbeeld als iemand in het bezit was van een diploma van hoger onderwijs, of van een getuigschrift van middelbare studiën van hogere graad. Tot die laatste categorie behoorden vooral priesters die een parochiale bibliotheek runden. Die vrijstellingsgrond stond niet in het voorstel van de voorbereidende commissie en evenmin in de oorspronkelijke teksten van de minister, maar was toegevoegd via een amendement in de Kamer. Onderwijzers konden eveneens vrijgesteld worden, maar slechts gedurende drie jaar na de afkondiging van de wet. Recht zag hierin een ongeoorloofde vorm van discriminatie en stelde voor om iedereen te verplichten een bekwaamheidsgetuigschrift te behalen (behoudens universitair geschoolden).

’t Is zo erg niet als het lokaal wat vochtig is of minder gemakkelijk toegankelijk dan een postkantoor: de bibliotheekkundige regel is de rechtskundige regel niet

Besluit

De wet-Destrée heeft de volksbibliotheken opgewaardeerd en erkend als een openbare dienst, met weliswaar beperkte verplichtingen zowel voor de staat als voor de gemeenten als voor de bibliotheken. Aan bestaande structuren werd niet geraakt, ze kregen zelfs de mogelijkheid om zich te versterken. Zowel de toezichtsdienst als het werkveld hebben zeer snel de gebreken en leemten vastgesteld. De stichters van de VVBAD hebben zich onmiddellijk kritisch-constructief opgesteld. Wie meer wil lezen over hun niet aflatende inspanningen ten voordele van een kwalitatieve uitbouw van openbare bibliotheken in Vlaanderen raden we de lectuur aan van de jubileumuitgave En nu van Hooger hand, verschenen naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van de vereniging.

Waarom lid van de VVBAD worden?

  • Deel zijn van het netwerk van experten en collega's
  • Mee de belangen van de informatiesector behartigen
  • Korting krijgen op de activiteiten van de VVBAD
  • Toegang krijgen tot vakinformatie
  • Participeren in de verenigingsbesturen
Word lid
© Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief & Documentatie vzw
Statiestraat 179 | B-2600 Berchem (Antwerpen)
Tel: (+32) 03 281 44 57 | email: vvbad@vvbad.be