De werkgroep archiefsoftware vertrok bij de analyse vanuit de werkprocessen verwerven, bewaren, ontsluiten en ter beschikking stellen van archiefbestanden en van verzamelingen. De eerste drie zijn collectiebeherende taken, het ter beschikking stellen van de collectieonderdelen is een publieksgerichte taak. Daarnaast zag zij een aantal procesoverschrijdende functionaliteiten zoals het zoeken, met extra aandacht voor de context waarbinnen resultaten worden gepresenteerd, specificaties voor record- en veldinvoer, vereisten voor de gebruikersinterface en vereisten voor gegevensuitwisseling. Dit laatste met het oog op Archiefbank Vlaanderen.
Het volgen van internationale standaarden als ISAAR(CPF) en ISAD(G) – met hun multilevelprincipes – is een conditio sine qua non, maar dan wel op maat van (hoofdrolspeler) het Letterenhuis geïmplementeerd. Het beoogde archiefbeheersysteem heeft een dubbele doelstelling: enerzijds moet het de interne werking ondersteunen, anderzijds moet het systeem vooral ook een gebruiksvriendelijke toegang aan kerngebruikers (verbonden aan de instelling) en eindgebruikers (externe gebruikers) bieden.
Bij het uittekenen van de functionele behoeften werd duidelijk dat er bij bepaalde processen een (grotere) overlap was tussen de werkgroepen bibliotheeksoftware en archiefsoftware. Denk aan zaken als klantenbeheer, de algemene vereisten voor de interface van applicaties, bepaalde werkprocessen in een leeszaal, zoals magazijnaanvragen. Daarom is er in het uiteindelijke bestek ook een luik algemene behoeften opgenomen, zodat deze overlap beter gestructureerd kon worden aangeboden aan potentiële leveranciers. Tegelijk werd hiermee het belang benadrukt dat er gehecht werd aan geïntegreerde oplossingen.
Hoe uiteenlopend deze grote groep instellingen ook is, ze willen allemaal hun respectieve collecties op een efficiënte manier beheren, bewaren, ontsluiten en toegankelijk maken voor hun doelpubliek. Een adequaat uitgedachte en vormgegeven online catalogus en beheersysteem voor bibliotheken en archieven is het aangewezen middel om dat doel te bereiken. De collectie – zowel analoog als digitaal – en het publiek zijn daarbij de twee centrale parameters.
Een geïntegreerd uitgewerkt systeem maakt de rijkdom aan stedelijke collecties meer beheersbaar, enerzijds door de werkprocessen adequaat te ondersteunen, anderzijds door de collectiebeschrijvende data (metadata) contextueel zichtbaar te maken en ze eenvoudig en snel ter beschikking te stellen van alle gebruikers.
Een dergelijk systeem maakt dienstverlening op maat mogelijk. Idealiter moet de eindgebruiker met één zoekopdracht de verschillende collecties van de Stad Antwerpen tegelijkertijd kunnen bevragen in een overkoepelende zoekomgeving, onafhankelijk van tijd of plaats. Alle informatie binnen dit netwerk is dan via een uniforme en/of gepersonaliseerde gebruikersinterface beschikbaar.
De uit te bouwen totaaloplossing moest beantwoorden aan een aantal algemene vereisten. We verduidelijken er hier enkele. Een soepele, modulaire opbouw van de software was van groot belang: zo werd een gefaseerde implementatie mogelijk waar nodig. Daarnaast was een flexibele, uitgebreide parametrisatie van de software, vaak verschillend van instelling tot instelling, geen luxe. Het zorgde voor een gezonde buffer tegen te veel vraag naar maatwerk en extra ontwikkeling.
Bij een geïntegreerde totaaloplossing is het ook niet meer dan normaal dat gegevens maar één enkele keer moeten worden ingevoerd (bijvoorbeeld de gegevens van een leverancier of het delen van authority records). Het systeem moest ook werken met een intuïtieve interface, gekoppeld aan gebruikersprofielen. Rollen en verantwoordelijkheden konden duidelijk worden onderscheiden en konden worden gekoppeld aan specifieke bevoegdheden. Ook de aanlevering van statistieken en ander cijfermateriaal was erg belangrijk. Met dergelijk materiaal kan men dan beleidsmatig verder aan de slag.
Oplossingen gezocht!
De functionele analyse werd ook omgezet naar een gedetailleerde vragenlijst waarop de potentiële leveranciers niet alleen met een ‘ja’ of een ‘neen’ konden antwoorden, maar waarin zij ook gedeeltelijke oplossingen voor het gevraagde konden aangeven. Per vraag kon de leverancier optioneel een verduidelijking toevoegen. Een deel van de vragen werd als verplichte eis gesteld, een deel als optioneel (leuk om te hebben). Als een leverancier op een verplichte eis met ‘neen’ antwoordde, viel hij uit de boot. De opmaak van deze vragenlijst bleek enorm veel werk, maar was van onschatbare waarde tijdens de onderhandelingsprocedure aangezien deze lijst toeliet om de offertes op een eenduidige manier objectief te vergelijken.